op de stem: Help God my magh ghelingen. Oft, 128, 130. Psalm. Noch, VVilhelmus van Nassouwen. 1. ALl' dinghen haar verand'ren Alst Iaar vernieuwen gaat, Sy volghen hart malkand'ren Om kryghen nieu ghelaat. De Locht, Sonn', Maan en Sterren, Aard', Zee, Waters te saam, 't Vernieuwen niet en merren, Alst tijd verschijnt bequaam.
2. De diertjens 's Iaars verhaeren, Elck vogheltjen verruydt, Sy laten d'oude vaeren, Verwachten nieuwe huyd. Alleen de mensch onlustigh Houdt an zijn ouden rock, Meent hy sou zijn onrustigh Verkoos hy ander jock.
3. Als hem de Prins der Hellen Heeft op het schoft gheleght, Waar door hy hem moet stellen Tot snode slaefsche knecht. De Vinder vande looghen Den mensch so verr' vervoert, Dat hy met hert en ooghen Staagh 'sWerelts staat beloert.
4. Den Hemel soud' hy derven, Die laten God alleen, Als hy mocht d'aardsche erven In wellust staagh betreen. Dit sietmen an zijn stellen Van Bouwsels, sterck en stijf; Wiens hooghte dat schier quellen Der wolcken snel ghedrijf.
5. Bestaat dan noch te reden, Nu ziele houdt ghemack, En leeft gherust in vreden, Ghevult is schuur en sack: Vergrootet zijn ons kluysen, g'Hebt alles in voor-raat: Maar mensch ghy moet verhuysen, Hier is gheen blyvens staat.
6. V woonstee magh niet duuren, Te zandigh is de grond, Doods-storm scheurt uw muuren In korte wijl en stond: uw spitten en uw delven Is al verloren moeyt: uw grond-muur, en verwelven En is niet wel beschoeyt.
7. Een Burgherlijcke wooning Is boven by den Heer: Een Hemelsche bekrooning Gheschiet u daar ter eer, So ghy des Werrelts hutten Niet meer te bouwen tracht; Maar breken ylheyts stutten Met sinn', wil en ghedacht.
8. Een Kind tot waarheyds teken, Van 'tgheen u is gheseyt, Komt om den kop te breken Van die, die u verleyt. Om-vat dat in uw ermen, Als uw herts-lieve kaar, Het wil uw ziel ontfermen In't eeuwigh nieuwe Iaar. Bartjens. God is mijn heyl.
Cookies on Poetry Cove