Skip to content
1618

Nieuw-Jaar-Lieden. Deel 1

Anoniem

op de voys: Ick moet u Laura klaghen. 1. WAnneer dat de heldre stralen Na de goude Sonne dalen, Glimmen langs de vochte Zee. Coridon en Tyter wachten Al de langhe guere nachten By haer wit ghevlockte Vee.

2. Nauw sietmen den dagh verdwynen, Of veel klaerder Sonne schyne

Lichten om der Herders schaer: Coridon begint te vresen: Tyter weet niet wat 'twil wesen Yder is in groot ghevaer.

3. Wonderbare vreemde teecken! Want het Licht begint te spreken Van het gheen het swangher gaet. Al des Hemels heerlijckheden Schynen op der Aerd beneden, En den Hemel open staet.

4. Hoort wat stem vervult haer ooren: Heden is een Vorst gheboren, In Davids stadt te Betlehem: Herders gaet heen hem te groeten, Vwen Heylandt wilt ontmoeten, Volghet der Enghelen stem.

5. Sy gaen heen, niet inde woninghen Vande Princen ofte Coninghen, Maer in een vervallen schuur: Daer zijn noch vercierde wanten, Noch vergulde ledicanten, Noch tapyten aende muur.

6. Daar gaen sy haer Herder soecken, Daer hy leyt in slechte doecken: Niét in kleen van goudt en sy, Daer de Maeght en blyde Moeder, Heeft ghebaert haer God en Broeder, Bewaert van 's Hemels Borghery.

7. Herders die hier met verblyen Aensiet uwen Heylandt lyen Alleen voor uw sond' en schult. Twyfelt niet aen zijn vermoghen, Hy komt arm om u t'verhoghen Op dat alles wort vervult.

8. Hy verberght het voor uw ooghen, Onder ons swack onvermoghen, Zyne macht en heerlijckheyt: Komt in ons verdurventheden Niet in glory, pracht ghetreden, Daer hem Iudea verbeyt.

9. Hy was voor de eerste stonden, Eer dat laghen d'aerdse gronden In haer plaetse ofte schijn, Die laet hy nu niet te wesen: Maer die hy niet was voor desen, Die begint hy nu te zijn.

10. God is in het vleesch ghekomen, Heeft ons menscheyt aenghenomen; Nochtans blijft God al in al: Bekleedt zijn eeuwich licht met duyster, Schijnt nu sonder glans of luyster, t Is zijn wil en welgheval.

11. Dit gaet boven ons ghedachten t'Ondersoecken uwe krachten, Al u wercken wonderlijck. 'tVleesch u dient om 'tvleesch te vryen, Maeckt u arm door doodt en lyen, Op dat ghy haer maket rijck.

12. Coridon wilt nu beginnen, Hier is stof voor hooghe sinnen: Singt een groot en heerlijck Lied Van des Heeren wonder-daden, Van zijn goetheyt vol ghenaden, Van het gheen ghy heden siet.

13. Laet ons met de Herders heden Tot ons Herder inne-treden In de schuere ons ghemoet: Laet ons daer ons Heylandt groeten, En met yver hem ontmoeten, Datmen sichtelijck niet en doet. De muerte Vidà.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nieuw-Jaar-Lieden. Deel 1 · Anoniem · Poetry Cove