I.
Ick breng mijn naeste gebuer een dronck.11
Ick brengt hier een al nae mijn sin.29
Ick schinckt, en brengt, uyt konsten rene.39
Ick brengt u alderliefste mijn.40
Ick brengt mijn lief in dit gelach.42
Ick peyns om een persoone.52
In des Meys tijt verblijt nu int ghemene.102
Ick maeck geclach met reden op dees tijdt.127
Ick sprack u gaern schoon robijn.128
In een groot ongeluck ben ick gebooren.129
Ick weet een fray Casteel.139
Ick klaech u Venus dleren.157
In liefden confoort.159
Ic minde een maecht uyt onbedachte jeucht.164
Ick wil my weer vermaeyen gaen.33