Stemme: Christus de Mey-bloem groene. Wegh, wegh nu sonder letten Mars bloet-gierigh beest valjant Wegh Trommels en Trompetten, Reyst vry nae een ander lant, Ghy hebt in korte Jaren Soo ick u sal verklaren, Veel die in weelde waren Laes gebrocht in droeven stant.
Lief-hebbers hier ter stede Die den Vrede hoogelijck prijst Een teycken daer ghy mede Goede Christenschap bewijst, Jck sal u sonder storen Niemant en stopt sijn oore Hier datelijck laten hooren Van de Vrede die meenigh spijst.
Wy hebben groot verlangen Na den Vrede seer langh gehadt, Dus singht den Heer Lof-sangen, Die den vrede dees waerden schat Daer al 't goet uyt komt spruyten Nu heeft laten besluyten, Tot Munster vol virtuyten Ach gesegende waerde Stadt.
Dit Liedt tot u believen Js gedicht vaet het verstant Uyt veel verscheyde brieven En bevestight met den Courant Ja 't welck noch hier beneven Tot Brussel is geschreven En in het Hof gegeven Aen Rodriego seer valjant.
Hoe den achtsten onverdroten
Binnen Munster met goet bescheyt Den Vrede is besloten Met een yver en vriendelickheuyt Tusschen wilt dit recht vaten d'Hoogh Mogend' Heeren Staten En Spaenjen t'onser baten, Den bedruckten tot vrolijckheyt.
Het Huys sal ick u namen, Daer den Vrede besloten is, De uur oock naer betamen Tot een teycken dat het is wis, Dus stelt vry met verblijden Het ongeloof ter sijden, Wilter oock niet om strijden, Met te seggen dat het is mis.
Jn Bisschops huys vol deughden, Van Cambraeys dit wel aenhoort Js met blijtschap en vreughden Besloten dit vast accoort, Tusschen seven en achten, Daer men dus langh na trachten, Dus moet nu Mars vesmachten, Met sijn krachten, brant en moort.
Den Vrede met verblijden Wiert daer onderteyckent ras, Besegelt van weer-sijden, Waer door groote blijdschap was, Men sagh dees groote Heeren, Malkander saluweren, Met vreughden wilt noteren Jnt af-scheyden op 't selve pas.
Den negenden sonder jocken Na 't besluyten van dit accoort, Js mijn Heer van Bruyn vertrocken Stracks na Brussel te poste voort d'Heer Knuyt wilt dit noteren, Sagh men met grooter eeren, Hem vromelijck convoyeren Wel een half mijl uyt de poort.
Daer sy hun af-scheyt namen,
Men omhelsingh van hun beydt, Hier hebt ghy al te samen, Uyt de Brieven het recht bescheyt Al van het Vredens sluyten, En acht het voor geen kluyten, Vranckrijck stater noch buyten, God geef elck sijn Saligheyt.
't En sal niet langh tarderen Soo de Maer nu stadigh loopt, Of men sal publiceren, Desen Peys seer vast geknoopt Want men heeft nu vernomen Dat de Aggregatie is gekomen Van Spaenjen sonder schromen Tot Brussel soo men verhoopt.
Dees Brieven worden geschreven Uyt Munster alle daegh, Tot Amsterdam verheven, Binnen Uytrecht en den Haegh Tot Haerlem en tot Leyden, Tot Brussel oock verscheyden, Daer sy hun al bereyden, Tot de vieringh van daegh tot daegh.
Nu oorlof Christen Scharen, Hier hebt ghy het recht bescheyt Al t' saem hooren verklaren Hoe tusschen sijn Majesteyt, Van Spaengjen t'onser baten, En de mogende Heeren Staten Den vrede wilt dit vaten, Js besloten met goet beleyt.
Waer door wy allegader Sijn schuldigh uyt 's herten gront Te dancken God den Vader, Die dus mildelijck heeft vergont, Dees langh-gewenschte haven, Tot ruste van veele Slaven,. Nu sijn wy in de Haven, Van den Vrede en vast verbont. EYNDE.
Cookies on Poetry Cove