Stemme: Galathea geestig dier, &c. Fredrik Hendrik van Nassou Prince van Orangien, Die mijn Vaderlant getrou Dient tot schrick van Spangien; Die mijn Bataviers gemoed Wil betuygen door sijn bloet, En mijn jonge leven Voor haer vryheyt geven.
Die my altijt in het Velt En in sware tochten, Heb voor in de spits gestelt Ridderlijck gevochten, Of ick schoon was jonck en teer, 'k sogt mijn vromigheyt en eer, Jn u dienst te leeren 't Vaderlant ter eeren.
Als ick eerst reed in den slag Aen mijn Broeders sijde, Daer betoond' ick al den dagh Dat ik socht te strijden; En dat ick met Bus en Swaert Onverschrickt en onvervaert Wou mijn leven wagen Jn mijn jonge dagen.
Krijgs-luy gy sult tuygen sijn Van mijn vrome daden, Hoe dat swarigheyt noch pijn My kon over-laden, Hoe noch donder noch geschut Heeft mijn dapperheyt gestut, En dat vorst noch regen My niet kon bewegen.
Voor de vryheyt en [Gods woort] Voor de rust der vromen, Staen ick als een vaste poor[t] Niemant hoeft te schromen, Wie sich voor de Wetten stel[t] Dien ben ick een trouwen h[elt] En ick sal hem kronen En met deught belonen.
Noch de vyant, noch de n[ijt] My het hert benouwen, Want ick midden in den strij[t] Met een vast betrouwen, Siet hoe God my uyt geva[er] Heeft verlost soo menigh jaer En my in dees tijden Noch wel sal bevrijden.
Wildy dat ick voor u tree Volght dan oock mijn gangen, Want tot liefde en tot vree Streckt al mijn verlangen; Borgers drijft weg twist en haet Die ons Lantschap dapper schaet En vlecht al u sinnen Met den bant der minnen.
Jck ben een trou Hollants hert Jn u Siel geboren, Och! wat waert my groote smert Als ghy gingt verloren, Mijn Heer-vaders trouwe raet En mijn Broeders vrome daet Suldy in mijn wercken, Vlijtelijck bemercken.
Vaert dog wel vereenigt Land En ghy Heeren Staten, Strengelt vast des eendrachts bant, En wilt d'Ondersaten Stieren, dat ons driftigh Schip Mag door menig Bank of Klip, Door u wijse peylen Al 't gevaer ontseylen.
Dan soo sal Gods segen staen Als een Hof te bloeyen, En sal blincken als de Maen En in voorspoet groeyen, Heb ick dat by u verdient Dat ick ben der Landen vrient? Vlecht dan oock mijn daden Aen u Lauw're bladen. D.P. Witte-pars.
Cookies on Poetry Cove