Stem: Trompen en Trompetten. DRonckaerts Lichtmissen, Sta wat by malkaer, Ghy en sult niet gissen, Wat ick openbaer, Pijpestelders snood, En lupaerts kael en bloot; Wilt niet dralen, ‘k Sal verhalen, Wonder groot. Siet den Somer sonde; Nu veel warmer zijn, Als den Winter koude, Daerom heeft men sijn, Eenen raedt bedacht; Om ‘t volck van lichte vracht, Wech te voeren, Met haer Hoeren, Al haer macht. Een Schip kloeck van grootte, Dat is nu bereydt, ‘t Geen by d’Engels Vlote, Geen gelijck en heyt; Want heeft gelijck ick mien, De langhte mijlen thien, En de breete, ‘t Is gemeten, Ses misschien. Masten groot en ronde, Dick gelijck Schiedam, Langh wel twaelf stonde, Men oprechten kan, Touwen dick en net, Zijn van Metworsten vet; De Catrollen, Om te rollen: Hammen vet. Frans en Spaens Cartele, Dat is daer Canon, Rotterdamse Tonnen, Zijn Musquetten bon,
Kneppels Deventer Koeck, Dat zijn Lont-stocken kloeck, Pastenaken, Die wel smaken Zijn daer soeck. Koegels Gentse Kolen, Pompoenen kleyn en groot, Rapen half gestolen, Dat sal zijn het schroot, Koegels tot ‘t Musquet, Zijn Hasenooten net, Peeren, Pruyme, Die doen ruymen ‘t Gats Musquet. ‘t Bussekruyt sal wesen Mand’len, Erten, rijs, ‘t Laet-kruyt uytgelesen, Frickadille ‘t Vleys, Ia Boeckweyte-meel, En Zuycker oock een deel, ‘k Zouw verdwalen, In ‘t verhalen Van dit speel. Ossen, Koeyen, Schapen, Weyden in de Mars, Luyaerts wilt niet slapen, Weest niet al te wars; Met een windeltrap, Klimt ghy in Schip te stap, Iae tot boven, Wilt gelooven Met een snap. Dit Schip groot van machte, En van veel virtuyt, Is genaemt uyt krachte, ‘t Schip sinte Reyn-uyt, Aen de Spiegel staet, Een dronckert met sijn maet, En in’t ronde, Vagebonden, Fielten quaet. D’Admirael certeene; Met sijn Vrouw voor uyt, Sa Tamboer stap hene, Vergadert Noord en Zuyd Al ons Officiers, Matroosen Debociers,
En Soldaten, Onverlaten Musquetiers. Den Capiteyn verheven, Is Heb-niet bekent; Heel beroeyt daer neven, Niet de Luytenant, Den Vaendrick schoon-Uyt, Heeft al sijn goedt verbruydt, De Sarsjanten, Lichte Quanten, Snap-op wel. Siet ons wel-bekende, Die is Corporael; Heer van Calis-bende, d’Adelborsten schrael; Sijn genaemt ick weet, Al t’samen kalen neet, Barrevoeters, Vodde wrorters, Scheet en dreet. Komt ghy Lichtemissen, Sa allon aen boort, Vechters wilt niet missen, Want ghy moet meed’voort, Straetschenders altijdt, Lantarens stucken smijt, Glase-smijters, Quaedt-verwijters Voort met vlijt. Die des nachts met Hoeren Loopt en ‘t geldt verteert, En met snoode sloeren Altijdt dommineert, Vagebonden sa, Komt Pijpedraeyers dra, Banckrottieren, die playsieren, Volcht al nae. Tictack en verkeerders, Nu geen tijdt verlies, Roemsteeck, discureerders, Raafels passadijs, Sa alon aen boort, Of anders ‘t Schip gaet voort, Na de strande, 't Luye Lande, Sa stap voort. Die die lichtst van deughde,
Is brenght blijck daer van, Die neemt men met vreughde Tot een Koningh an, Daerom sal men wegen ‘t Volck te vooren maes, Want ter veele, ‘t Mach niet scheele, Eenen aes. Oorlof Ommestaenders, Koopt doch elck een Liedt, Wij zijn u Vermaenders, Dat ghy voor u siet, Helpt den Sanger voort, Want hy moet meed aen boordt, Want sy wachten, Al met krachten, Ons Consoort.
Cookies on Poetry Cove