Skip to content
1710

Nederduitse en Latynse keurdigten

Anoniem

I. Tegenzang.

Nog is die dwaasheid niet vergaan, En niet gestorven met den heiden: Toen 't Kristendom zyn kragt verspreide, En nam in glans en wasdom aan; En toen de rust, 't gemak, de weelde, De pragt, en eer, en overdaad, Een Christ genaamden onderzaat Arglistig strookte, en lieflijk streelde; Wanneer dan Gods alwijs besluyt, Om eens zijn volk te huis te zoeken, Zig t'uiten scheen in leed en vloeken, En goot een stroom van plagen uyt, Dan dagtmen d'oorzaak te bezeffen: Het zijn de ketters die 't hun doen, Dat 's Hemels straf en taye roên, Hen dus met alle rampen treffen.

Dies overkryt men hun gevoel, Met gruwlijkheên; zy worden t' zamen, Met spog van lasterlijke namen, Gebrandmerkt op den predikstoel: 't Zijn Godverzakers; aardsverleijers, En lasteraars; en moogt men maar Men hielp hen in een halsgevaar, Door d'yvergeest van zulke schrijers, Ook die zig roemen het geloof, Op een volmaakter wijs t'hervormen, Bestaan aldus op God te stormen, Te geven 't weerloos volk ten roof, Met in Gods oordeel in te treden, Uyt drieste domheid, zonder reden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduitse en Latynse keurdigten · Anoniem · Poetry Cove