Het Beelt spreekt.
Al wat natuur aan my mogt schuldig zijn gebleven,
Dat heeft z' in ruimer maat aan mijne zoons gegeven,
Die zoons, die, boven my getilt op d'eerentrap,
Den glans bezwalken van de gantsche Priesterschap.
Dus wert den glans verdooft van Arons borstlapssteenen,
Wanneer de stralen slegts van Moses hoornen scheenen.