Slottrant.
Neen, ô neen, zo geen Monarchen
't Klemmen passe van den band,
Daar Gods geest zyn tempel plant,
Min nog past het dees Hierarchen:
Maar d'Apostelen voorhenen,
Van Gods Geest en kragt verligt,
Hebben tot een Gods-gestigt
't Werk der levendige steenen
Saam gevoegt, dat opgewassen
Tot een Tempel in den geest,
Eenmaal zigtbaar is geweest:
Maar nu door veel waterplassen
Als een bange Vrouw, gedreven,
In der waereld schrikwoestyn,
Vind geen heul aan Konstantyn;
Of heeft niemand na te streven,
Dan een held're straal van boven,
Die haar aanblikt nu en dan,
In het woest en driest gespan,
Dat de Steenduif in haar kloove
Moede maakt, en komt vervaren:
Maar hy, die de harten wend
Als het buigsaamst' Element,
Zal haar leiden, en bewaren:
Dit's haar hoop, haar kroon, haar luister,
En haar Leidstar in het duister.
1683.
J. Oudaan: