I. Zang.
HEt ongeregelt heidendom
Van ongedult om 't hert geslagen,
In weerspoed, ramp, en nederlagen,
Zag meest na schynbaare oorzaak om:
Zoo haast dan had haar niet getroffen,
Een dappre slag van hooger hand,
't Zy door een oorlogsstorm in 't land,
Of ongeval in alle stoffen;
Brandkoren, droogte, diere tyd,
Zeeschade, en onweer, heete pesten,
En wat in eenige gewesten.
Het menschdom quetst, en smert, en slyt;
Of daat'lyk scheener uytgevonden,
Dat al dees qualen, en de wel
En bron-en springaar van 't gequel,
Slegs uyt het Kristen volk ontstonden:
Dat zy, al de oorzaak van het quaad;
De Goden dus, ter woede, en wrake,
In hun verbolgendheid, ontstaken;
Die zulk een landplaag stroomen laat.
Dan volgde een ongestuimig schreewen,
Een beestlijk druissen, styf en sterk,
Den Kristen in het beeste perk!
Weg met den Kristen voor de Leewen!
Dan volgde een woedend onbescheid,
Waar in ze als los gelaten honden,
Als Tygers hunne handen schonden,
Aan wereloze onnozelheid;
Die hier beproeft als 't goud in d'oven,
Slechts stand hiel op de kracht van boven,