Slotzang.
ô Doorlugte Heeren Staten!
Vaart dan voord en houtme vry,
Die my in uw heerschappy
Op deez zegen in durf laten,
Met te zitten stil en koel,
Aan het landstuur elk ten doel.
Laatse woelen, wroeten, lastren,
Laatse razen met gedruisch,
Als een zee met vol gebruis,
Al wie zig van 't regt verbastren,
Dat goede onderdanen past;
Dien in stilheid is belast,
Zig demoedig t'onderwerpen:
Al dit woelende onbescheid,
Is niet magtig 't wijs beleid,
Van uw Godsvrugt op te scherpen;
Dat s' in 't sturen van den Staat,
Eens dien teugel slippen laat.
Maar gy handhaaft elk by 't zyne,
Daar elks invloed van gewiss',
Eigendom geworden is:
Dat zig dan geen wrok verpyne,
'T regt te rukken uyt de vuist,
Daar 't regtvaardig is gehuist:
Eer Gods toorne kom verkneuzen,
Zulke Nimrots, zulke reuzen.
1666.
J. Oudaan.