Wedertrant.
Maar zal dit dan een Gods-gezant
(Of die zig noemt met ulke namen?)
Genoegen, voegen, of betamen?
Die op dien grond zyn zetel plant;
En steekt het Hooft van Hovaardy
Vermetelyk door wind en wolken,
Wanneer hy ziet zoo veele volken
Voor zyne geest'lyk' Heerschappy
Zig buigen en verwonderd staan:
Of dat hy uit den band geborsten
In steê van een, of veele Vorsten,
Vast queekt een nest met jongen aan;
Een nest met jongen, daar elk een
Stadhouder van zyn God wil heeten,
Wie zal dan maat of regel weten,
Van zoo veel' Hoofden in 't gemeen?
Of't zyze, tot een rot gerukt,
Hun willekeuren en besluiten
Bestemmen, en de kragt van buiten
(Wen Konstantyn het zegel drukt,
Of drukken moet op hun papier)
T'ontlenen pogen: ja, met reden
Lyd Konstantyn geen zulke zeden,
Maar werpt die prullen in het vier,
En wringt het klembit in de monden,
Die zyn begeerte tegen stonden.