Tegentrant.
Men twiste meer niet, of hem past
't Bewind der Heidensche offerhande,
Want hy verfoeit dien stank en schande,
En zet een and'ren Godsdienst vast:
Die met een juichend Hofgezin,
Op 't spel van pypen en gezangen,
Een offergeur, en ommegangen,
Haalt d'eer en dienst van Christus in;
En volgt zyn Moeder, die het kruis
Gevonden heeft, en aan komt streven
Om Jesus naam haar naam te geven:
Zo voert hy Christus in het Huis
Daar Belial te wonen plag;
Dies ziet hy lugt en nagtgezigten;
Die zijn benevelt brein verligten,
En Englen bystand in den slag.
Dus komt hem 't Opperbisdom toe
Van Christus Kerk (en wien dog nader?)
Als tugtiger en Voedstervader,
Met zwaard, en staf, en straf en roe,
Dies zette hy af, dies zette hy aan,
Die zig gezanten Christi noemen,
En met dien naam hun vuil verbloemen:
En niets en kan hem qualyk staan:
Of voert hy dan (wie heeft 'er tegen?)
Vergeefs den Scepter, en den Degen?