Skip to content
1710

Nederduitse en Latynse keurdigten

Anoniem

II. Zang.

Maar 't zy dan 't heilloos heidendom, Of Kristgenaamde ketterkryters, Dees wroegers zijn, en menschverbyters, Wy keeren nu dat blad eens om: En zeggen dat onze Overheden, Dien stand gedoogen dat elk een, Met zijn gemoed voor God mag treên, En elk in stilheid word geleden; Dat daar gelijk een pallem bloeid 's Lands heerlykheid; en 's hemels zegen, Gelijk een lieffelijke regen, Op land en steeden nedervloeid, Want zulk een vryheid van gewisse, (Of schoon 't gemoed al dolen mocht, Het blijft alleen aan God verknocht;) Staat diep in Gods gedagtenisse. Dies heeft het vryheidgevend land, Aan 't woord van hem, die, hoog gezeten, Geen dronk kout waters wil vergeten, Een waarborg en een onderpand; En schoon het zomtijds word geslagen, Om zijne zonden, 't blijkt dat God Na maat die straffe past, en tot

Een tugtiging die 't kan verdragen. Zoo weet die reed'lijk' heerschappy, Die op Gods regt niet in wil dringen, De roe hem uyt de hand te wringen; Zoo dats' als vast bestendigt zy, Zo lang elkx tranen, en gebeden, Om hoog by Godt ter voorspraak treden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduitse en Latynse keurdigten · Anoniem · Poetry Cove