Graf-Dicht.
Hier rust heer Tromp, den held en Stuurman mijner kielen.
Die Hemel, Zee en Hel met Lijken vulde, en Zielen;
Dewijl mijn Admirael, ‘tzwaerdt in sijn zegen handt,
Voor ’t Werelds vocht, won hy het Hemels Vaderlandt.
Dus klaegde Nederlant wijl de tranen
Haer gantsch in peeckel deden banen,
S’ en wist niet of sy swymen sou,
Ten laetsten, na geduur’ge suchten,
Liet sy haer nakent hart ontvluchten,
Dees snicken: wee! wee! o rou!
Ghy die de schragen van drie kroonen
Hebt deerlijck met den byl sien hoonen,
En knotten op een Schen-schavot,
Wreek Stuaert en syn Na-saets wonden,
Bescherm myn Leeu voor snode Honden,
Bescherm, bescherm hem groote Godt.