Skip to content
1696

Matroosen vreught

Anoniem

Op de wijse van den 8. Psalm. O onse Godt en Heer seer hoogh, &c. MYn mondt en hart wil nu den Heer voortbrengen Lof en danck van sijn genade singen, Heel ende klaer, voor dat hy heeft bewaert My desen dagh, goet in den zee-vaert, Voor duyvels list, en ook voor quade menschen, Voor Roovers macht, die na mijn schade wenschen, Voor stormen groot, tempeest, wint en weer, Heeft myn bewaert de goedertieren Heer. Nadien gy dan ons desen dagh seer goedigh Hebt by-gewoont, weest ook des nachts voorspoedigh. In onse Reys, blijft ons Stuer-man wijs, Na goedt Ree ofte haven propijs. Nacht ende dagh is ons beroep te slapen, ’t Sy goet weer oft’ storm, ’t zijn uw slaven, Doch de nachten duyster, koude ende langh, Maecken verdriet, en oock ons herten bangh. Slaep daarom niet, wilt u aen ons roer stellen, Verdrijf van ons’t geen ons soud’ mogen quellen, ’t Sy Satan, slaep, droomen ofte kranckheydt, Onnut gepeyns ofte eenigheydt. Voor sond’ en schand’ ons lichaam wel beware, Ook onse ziel, dat die sich niet en besware

Met valsche Leer, maar met den klaren dach Op-staen op-recht door uwes Geestes macht, Die wy gesont lieten in ons af-varen, Aan ziel en lijf, en goet, wilt die bewaren Den Koopman oock, Reeders en Ovrigheydt, Neem ons Heer aen onder uw handts geleydt, Vader die zijt in den Hemel, u Name Werde geheylight, uw Rijck toekom bequame, Uw wil geschied’, geeft Broodt, vergeeft misdaet, Breeckt Satans macht, want alles in u bestaet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Matroosen vreught · Anoniem · Poetry Cove