Een nieu lied, van een jongman die uyt wandelen ging, en wat hem is wedervaren. Voys: Tien pond snel. WAt ontmoet, Imant aerdigheden, Die somtyds te voet Gaet hoord na mijn reden, Hoe ik lest ging heen, Soetjes na Amsterveen.
Een zoet Dier, Aerdig fraey van Leden, Kwam tot haer pleysier, Ook die weg getreden, Met een soeten Lag, Bood sy my Goeden Dag.
Vrind ey zeg, Sprak dit zoete Meysjen, Waer so leyd de Weg, Seg my dat een reysje, Wysd my eens waer heen Ik ga na Amsterveen
Engelin, Waerde Lief gepresen, Is het met uw zin, Ik wil garen wesen, Uw Gezelschap Lief, Ik ben tot uw Gerief.
Ik sprak so, En heb daer niet tegen, Wandeld maer met my, Daer is niet aen gelegen, Ik ben wel te vreen, En wy Kuyerde heen.
Terwylen wy Samen gingen Wandelen, Raekten ik al vry Wat van de Min te handelen, Ik zey Liefste myn, Wild gy myn Byslaep zijn.
Ia fiat, Sprak dit zoete Meysje, Keerd weer na de Stadt, Wy sullen een reysje, Hupse brave kwant, Nemen een schoonder Trant.
Dese Blom, En wy gingen zamen, Soetjes so weerom, Tot datte wy kwamen Binnen Amsterdam, Daer ik wel haest vernam.
Dat mijn Geld, Tot een enkel Duytje, Haest was uytgeteld, Toen was 't weg jou Guytje, Stieten mijn tot Loon Als den Verlore Zoon.
Uyt den Huys, Namen mijn o jeetje, Tot mijn droevig Kruys, Af mijn boven Kleedje, Gaven mijn toen rad Een voet onder mijn Gat.
Oorlof dan, Blyfd uyt zulke Nesten, Spiegeld u hier an, Myd die vuyle pesten, Want dat snood gebroed, Doet ooyt of niemant goet.
Cookies on Poetry Cove