Op de voort-komste van den kloeken Hercules, uit Nazoos Metamorphosus Lib. 9.
Toon: Puis qu'il faut quitér.
HE-mels - Hart, Wer'lts-ziel, Ju-pijns oog,Febus.
gy hebt eens uit u Stief-broêrs ka - ken:
door u Va-ders last van 't hoog uwe dag-vaart
snel, moeten sta - ke; Toen hy,, zich vry,,
ge-meen wou ma - ke, Met de schoon' Alcu-
meen'. ://: Schoolt gy dry dagen eer
je d'Aard-kloot weêr' om-scheen.
2
Een driedubb'le nacht was van nood',
Om een Alcides grof te teele;
Godt Jupijn geen streel-lust vlood,
Ja, scheen ook nimmer zat van streele,
Geen rust,, vol lust,, kon zich verveele.
Een Godheit stoofde, en blaakt', een Godheit stoofde en blaakt;
Want 's levens oorsprong was aan 't wit zijns wensch geraakt.
3.
Zullek lief gestreel ging eerst voor,
Eer dat de schoone Alkmena baarde,
Vrouw Lucin' sloeg gaâ de door,
Mits Junoos haat heur weê bezwaarde.
Een Meit,, ontleit,, die zich gebaarde
Als of zy was verlost. Straks toen Lucin' bewoog.
Alcid' quam voorts; ruim lang viermaal een elleboog.
D. Questiers.