Horatius I. Boek, het IV. Gezang, aan L. Sextius.
Toon: Qui je suis Travaljé. Of: Aan 't grond'loos diep der Zee.
DE Winter fel ontdooit, door d'aankomst van de Lent;
Men windt de drooge Scheepen
Ter Haven uit, in 't ent,
Het Vee in Stal beneepen,
Van vreugde blaart, ter Weije waart ://:
De Boer is moê den heeten haart.
De Cyterische Venus, met de nieuwe Maan,
Heft aan met lust de Reijen;
Graty en Nimphen gaan
Elkaâr ten dans geleyen,
Trip'len op 't Veld, dat 't Gras zig velt, ://:
Terwijl Vulkaan het Yzer smelt.
Nu is 't de rechte tijdt de blinkende Paruik
Met Bloem en Mirt te kranssen,
Die uit d'ontlaate struik
Gebott' is, en ook danssen,
Ter eere van, den Bosch-god Pan, ://:
Die ons veel heil en vreugt brengt an.
Nu is 't de rechte tijdt dat wy ten offer gaan,
En smooken Pan ter eeren;
Lam'ren en Bocken slaan,
Of wat hy zal begeeren,
In lommer groen, tzaa wilt u spoen, ://:
Wy zullen daar den offer doen.
De bleeke dood klopt zoo wel aan een Konings Hof,
Als arremer gebouwen,
Zaal'ge Sextius lof
't Lang leve leert mis-trouwen,
Door doodse schrik, elk oogenblik, ://:
De dood past staag op 't nood-geschik.
Terstond zal u de nacht met hare duister snel
En schielijk overvallen;
Wie in de hoogen Hel,
En Plutoos hooge wallen,
Maar eens geraakt, wordt nooit ontslaakt, ://:
En geen gezonde Wijn daar smaakt.
Catharina Questiers.