Ajax Doot.
Uit het 13. Boek der Metham. van P. Ovidi. Nazo.
Vois: Repicava.
GRoote Goden,
Moet dan mijn dapperheid
De list nu wijken? word mijn dan ontzeid
't Geen mijn gerechtig komt? moet nu, ô spijt,
Mijn kloekheit schandig wijken, en strijken,
Voor een doortrapte schelmze boeve tong,
Die rijp van listen,
Niet zaait dan twisten,
't Zy ook wat hy zong?
't Schijnt zoo Hemel,
Ulysses wijst men dan
De Wapens toe van zoo'n doorluchtig Man,
Een bloo-hart dieze nauwlijx voeren kan,
En mijn gevreesde krachten, en machten,
Word met de rusting ook mijn erf ontzeit.
Ondraaglijk hoonen,
Ik zal betoonen
Hoe mijn hart dit spijt.
Dezen degen
Die is dan immers mijn,
Hier kan Ulysses dan geen deel of recht aan zijn,
O degen! die alleen de machten van Jupijn,
Door mijn groot - moedig harte, dorst tarte,
En keerden Hector, ja zelfs vuur, en vlam
Van onse Schepen,
Door noot genepen,
Dat hy 't vluchten nam.
Lacht Trojanen,
Lacht af - gestreede wal,
Nu dat hier door zich zelven sneuv'len zal,
Die gene die vol wraak uw ramp, en val
Had in zijn ziel te vooren, beschooren,
Lacht zeg ik vrylijk, wijl 'k uw muur nu verf
Met eigen bloede,
Door spijt en woede.
Dat raakt: Goôn ik sterf.