Skip to content
1820

Het springende haasje

Anoniem

Op een aangename wys. 1. Het lieve schoftuur slaat te recht De wensch van de Ambachtsman: En me in den schaduw neêrgelegd: Hoe smaekt de rust my dan!

2. Het was dan daer zoo vreeslijk heet Er liep van toen 'k begon Van mijn gezicht een stroom van zweet, Als my in 't hoofd een bron. 3. Wat de arme man niet lyden moet, Door dien niets doende liên, Die wy voor loutren overvloed, Zich moede rusten zien! 4. 'k Dacht dikwijls, (dan, 'k had ongelijk, Het geen ik gaarn erken,) Waerom of ik niet ook zoo rijk Als zulke mensche ben? 5. Maer, my viel in: God vond het goed, Dat is uw toch bewust; En 't stukjen brood smaekt dien slechts zoet, Die na den arbeyd rust. 6. Met alles is 't na korten tijd, Op de aerde toch gedaen, Dan vangt, ter vrolyke eeuwigheid, Een heyligen avond aen. 7. Daer zijn wy allen weêr gelijk, Daer kendt men druk noch kruis, Het werk is af en arm en rijk Gaet om zijn loon naar huis.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het springende haasje · Anoniem · Poetry Cove