Skip to content
1617

Het prieel der gheestelicker melodiie

Anoniem

Op de vvijse: Aenhoort ghy maechden reene.

WIlt tot ons neder dalen O Schepper Heylich Gheest, Besoeckt met uwe stralen Onse herten foreest: Vervult in dese feest De sielen van v knapen Met gracy aldermeest, Die ghy selfs hebt gheschapen. Ghy wort ghenoemt ghepresen Den Trooster inden noot, Godts gaue uytghelesen, Sonder v zijn wy bloot: Ghy zijt teghen de doot De levende fonteyne, Een vier, een liefde groot, Des gheests een salve reyne. In gauen seuen voudich Sijt ghy der deuchden vloet, En den vingher behoudich Van Godts rechter-hant goet, En van den Vader soet Belofte sonder salen, Die onse tonghen doet Spreken, en ciert met talen.

V licht wilt toch ontsteken In onse sinnen vijf, V liefde laet door-breken Ons herten hart en stijf: Wilt oock door v bedrijf Verstercken en vast maken Ons lichamen catijf In Goddelicke saken. Den vijant wilt verdrijven Van ons breet ende wijt, Den peys wilt doen beklijven Met Godt, tot s’vijands spijt, Op dat wy wel bevrijt Door v met aller vromen Nu en tot aller tijt Alle quaden ontkomen. Maeckt dat wy door v binnen Den Vader in sijn rijck, Den Sone Godts beminnen Eeuwelijck hem ghelijck: V oock sonder beswijck Moghen dancken en louen, In v soet hemel-rijck, In glorie daer bouen. Lof zy v Vader Heere, Schepper des werelts ront, En Christo min noch meere, Verresen heel ghesont, Vander doot, niet ghewont: V heylich Gheest, van heden Sy glorie gheiont, Tot inder eeuwicheden. AMEN.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het prieel der gheestelicker melodiie · Anoniem · Poetry Cove