Op een aangename Voys. BAtavieren komt dra Wilt zingen vroeg en spa Den Heere Jehova; Lof, Prijs en Eer, Die uw nu weer gedenkt, Zulken Victory schenkt En uwen Vyand krenkt, Steeds meer en meer, Die uw zo moedig kwam vallen an Vol hooge lusten, Op zijne Kusten, Zo menig Man. February Agtien, Zestien-hondert mitsdien Dertig Negen, men zien Ging eenen Slag; Voor Duynkerk op de Rhee, Van Admiralen Twee, d’Hollandz’ en Duynkerkz’ mee, Den zelven Dag Even dat Colaar, over drie Jaar
In ’t Zeeuwsche groeten, Vand geen verzoeten, Maar droefheyd zwaar. Dit lag haar nog in den zin, Des zy dagten het gewin Te halen weder in, Met Kruys en Scherp, Op een Vrydag ten Agt Uuren, zy met haar Magt Kwamen, maar hun verwagt Heeft, eene Herp, Die wat kwam spelen met Zarwat, Om haar te danken, Maar dog het banken, Viel haar te hart. Wel Admiraal Michiel, Van Doorstik hoe geviel Uw dit Bataafs gekriel? Dat gy Adieu Gingt zeggen voor de leus, Van eenen blauwen Neus, En liet zo aan de Geus. Twee Schepen Nieuw, En uw Vies-Admiraal door den noot Geheel Verbranden, Of gingt gy Landen, In Charons-boot. Lof Herpet Admiraal, En Bonkers die voor ’t Staal, Uw Vyand menigmaal, Ter neder veld; Lof Capiteynen t’zaam, My onbekend van Naam, Uw Eer zal door de Faam, Werden verteld,
Zo lang als Phebus op d’Aarde straald Matroos, Soldaten Zal zijn, door ’t Praaten Uw Lof verhaald. Prinsse ô Heer! den Lof, Komt uw voor al hier of, Want wy zijn dog maar stof, En onze Magt Schryven wy met dit werk Toe, aan uw die zeer sterk, Voor ons zijt een Bolwerk Dag ende Nagt, Tegen ons listigen Vyands pak, Dies uw ’t zingen Wy de Eer toe bringen Want ’t Vleesch is zwak.
Cookies on Poetry Cove