Toon: de blonde Dageraad.
BReekt droeve Traantjes, breekt,
Ontsluyt de Werv’len van uw zilte Poort;
Mijn Hertje my zo steekt,
Ay my! ik sterf zo gy my niet verhoord;
Ach Laura blijft gy even straf,
Zo eyld uw Cloris naar zijn Graf.
Heb ik, ha wreede Goon!
Verdiend, zo zwaaren straf van mijn Godin!
Ach dertele Venus-zoon!
Doorgrieft mijn Lauraes Hertje mee met Min:
Op dat zy door mijn droeve smert
Een-maal, helaas! bewogen werd.
De Telgen zijn ontvoerd,
De Bloempjes die verwelken door mijn klagt,
Zy die mijn Ziel ontvoerd
Is roerloos; want mijn klagjens zy niet agt;
Zy blijft al even preuts en trots,
Ik stort mijn traanen voor een Rotz.
De schitterende zwier,
Van haar twee Zonnen doen mijn Hertje Braan,
Of ’t lag in AEtnas Vier;
Maar ach! ik kan mijn Hette weer verslaan,
Als ik uyt haar fiole mijn
Zuyg ’t Overgodd’lik Ambrozijn.
Ik ben, ik ben gelijk,
(Vermits ik mijn voornemen zoet nu derf)
Als een levend-Lijk;
Maar als ik weer haar geurge Mond verwerf,
Dan is mijn vlugge Ziel verblijd;
Zo leef ik staag in droeve strijd.