Skip to content
1703

Het nieuwe vermeerderde groote harpje

Anoniem

Stem: O ongelukkig dag. WAt is den mensch, eylaes! Een worm, een wormen aes?

Een Maden-sak, een Water-blaes, Wat is sijn leven vol verdriet? Een droom, een stroom, en anders niet. Sijn lichaem is een kluys, Een aerden Pelgrims huys, 't Welk haest vervalt tot stof en gruys, Wanneer maer eens de bitt're doot Sijn maegre voet daer tegen stoot. Hy leeft een kleynen tijt, Die als een kleed verslijt, En heeft een langen bangen strijt; Hy slooft, hy sorgt, hy vreest, hy hoopt, Soo lang het glas sijns levens loopt. Vergeefs en weent hy niet, Soo haest hy d'aerde siet,

't Ellendig dal van sijn verdriet, Al schreyend hy sijn intree doet, En dees bedroefde wereld groet. Maer sag hy al sijn leet, Hy smolt in tranen heet, Eer hy met windels wierd bekleed: Want 't is al hertseer en elend Waer d'arme mensch sijn oogen went. Noch siet men dat dees gast, Die af-neemt als hy wast, Soo seker leeft en woont soo vast, Als had hy door een nieuwen vond Met dood en hel een vast verbond. Hy woelt, hy droelt, hy speelt, Hy singt, hy springt, hy queelt?

Met ydele vreugd hem selven streeld, Seer weynig denkt hy op dien dag Dien hy ook niet voorby en mag. De dood, een dief by nacht, Betrapt hem onverwacht, Dat valt hem zwaer, en seer onsacht: O! 't sterven valt hem wonder suur, Die 't sterven leert in stervens uur. Doet my gedenken, Heer, Hoe los, hoe bros, hoe teer Mijn leven is, op dat ik leer Wel sterven vroeg, terwijl ik leef, Dat ik mijn hert tot wijsheyd geef. EYNDE.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.