Stem: Psalm 68. SIet Christus onse Vorst en Held, Die Leeuw uyt Juda, van geweld, Waer voor de dood most swichten, Wanneer s'hem in haer kaken sloot: Maer hy verbrak de hel en dood,
Door 't wenken van sijn lichten. Waer is dijn prikkel en dijn zeeg, Als Christus d'overwinning kreeg? Gy hel en dood most vreesen: Uw' grendels heeft hy af-gerukt, De hel en dood te onder druk: Dus Mensch wilt vrolijk wesen. U tranen heeft hy af-gevaegt, Van die noch in u sonden laegt: En is u weer verscheenen: Heeft veertig dagen u geleert, Met u gegeten en verkeert, Getoont sijn vlees en benen. Om soo het ongeloovig hert, Dat noch in ongeloof verwert,
De waerheyd aen te toogen: En dat hy waerlijk was die geen Die dood was en nu weer verscheen, Voor aller menschen oogen. Hy leerd' haer Gods trouw verbond, En hoe hy, door beloft gegrond, Sou 't Koninkrijk aenvangen: Dat hy hun, zijnde nu bedeest, Toesenden sou sijn heyl'gen Geest, In overvloet t'erlangen: En dat sy souden tuygen zijn, Sijn Woord in daed, en niet in schijn, De wereld uyt te spreyden; En souden van Judea aen, Des werelds kreyts rondomme gaen, En sijne Leer verbreyden.
Als hy dit alles had verhaeld, Een wolke uyt den Hemel daeld, Die hem heeft opgenomen, En voor hun oogen weg gevoert: Hier stonden sy als gantsch beroert, Vol achterdocht en schromen. Terwijl sy staerden Christum na, Soo stonden twee in wit gewaet, Aen haer zijde, en seyden: Die Christus, die ten Hemel vaert, Die suldy namaels sien verklaert, Gelijk hy van u scheyde. O Heer! die nu ten Hemel vaert, Wilt ons lichamen, gantsch bezwaert, Met u ten Hemel voeren:
Op dat wy door oprechte boet Deelachtig zijnd' u eeuwig goet, Geen quaet ons mag beroeren. Wilt, Heer, ons vleesch in vrolikheyd Bekleden met d'onsterflikheyd, Dat wy met u verrijsen, En ons verklaren met die vreugd Der Eng'len, dat wy met geneugd, U eeuwig mogen prijsen.
Cookies on Poetry Cove