Op een Aangenaame Wys. 1Al myn geluk en vreugd is vervlogen, Ik zit in druk met nat beweende oogen, Een schoon Minnaar: Een schoon Minnaar: Heeft my schandelyk bedroogen, Maar hoe ik zugt of schry, Myn vreugde is voorby. 2Ik was een kind van even 18 jaaren: Ik wierd bemind dat bragt my in bezwaaren, Maar hy trof my niet: Maar hy trof my niet: Daarom liet ik hem vaaren, Ik lachte om zyn smert: Maar het ging my niet ter hert. 3Doch op’t laast toen is’er een gekomen Die met ’er haast myn hert heeft ingenomen, Die vroeg myn gunst,
Die vroeg myn gunst, Ik gaf ze zonder schroomen, Het vertrouwen was te groot: Dat brogt my in de nood. 4Door zoet gevly wist hy myn ziel te winnen, Hy kwam by myn zo schoon met hert en zinnen, Ach! kwam hy weer, Ach! kwam hy weer: Ik zou hem weer beminnen: Hy is naar de Oost gegaan, Het is voor eeuwig afgedaan. 5Mijn eer en roem lyd nu in ’t stof, vertreeden, Myn maagdeblom in oneer afgesneden, Myn vreugd is weg: Myn vreugd is weg: Zo haastig heen gevlogen, Zo driftig en gezwind, Zelfs rasser als de wind. 6Myn leeftyd door zal myn in droefheid prangen, Men heeft gehoort dat ik by hem ben zwanger: Het stille graf, Het stille graf, Dat is myn groot verlangen, Door hartzeer en verdriet: Laat myn het leeven niet. 7Al wie myn kent zal zeker my veragten: Hoe kan ik dan van imand troost verwagte
Losbandigheid: Losbandigheid: Doet my in druk versmagten, Myn misslag komt in ’t ligt, Voor ieder in ’t gezigt.
Cookies on Poetry Cove