Het Soetste van den Minne-Godt
Dat brenght een Maeght tos yders spot,
Wanneer een Dochter voor de Trou
Haer laet gebruycken als een Vrou,
Want schoon mijn Minnaer hiel sijn woort,
Nochtans heeft hem de bleecke Doodt
Doen scheyden; dus is ‘t Minne zoet
Verkeert in enckel bitter Roet.