Skip to content
1690

Het nieuwe groote harpje

Anoniem

Klaagh-liedt van Dina, dochter van den Eerts-Vader Jacob, Stemme: C'Est un amant, ouvre la porte. Indien oyt maeght haer droeve klachten Vermocht te brengen aen den dagh. Ick ben het die geheele nachten, Ick ben een maeght die klagen magh, Ick was een bloemtje vers ontloken, Ick was een roosje noyt gepluckt, Van vryen was my noyt gesproken; Door liefd' en was my noyt verruckt. Ick gingh de Dochters van den Lande: Ick gingh besien een vreemde stadt, Ey! siet daer blijft mijn eer te pande, Eer 't yemandt wist was ick gevat.

De Ionge Prins in min ontsteken, Die quam aen mijn sijn gunste bien, Ick onbewust in hoofsche treecken, Gingh met hem om het Hof te sien, De Maeghden die ontrent my waren, Die gaf men vast een soeten praet, Ach! sy noch in haer domme Iaren, En sien niet wat 'er omme-gaet. Ick wierd in stilheyt wegh ghenomen, En ick en weet niet waer geruckt: En eer ick weder mochte komen, Soo was mijn Bloemtj' eylaes gepluckt, Ick was bedroeft in al de sinnen. maer hy bood my sijn rechter handt, En swoer, hy sou my eeuwigh minnen, Hy sou mijn eeuwigh zijn verpant.

Dies om mijn droefheydt af te weeren, Zont strack sijn Vader uyt de Stadt, En liet en Echte mijn begeeren, En bied ons eer, en groote schat, O Broeders! vol onwijse kueren, Die als bloet en wrack en dorst, Ghy doet de Stadt de Doodt besueren. En in de Stadt den Iongen Vorst. Daer leydt de Vader doodts-gheslagen, Daer leydt de Zoone nevens hem, Daer hoortmen duysent Vrouwen klaghen, maer boven al mijn droeve stem. Wat gingh u aen o! rouwe Gasten, Te komen tot zoo wreden vondt, En soo geweldigh aen te tasten, Die my alleen vereeren kondt.

Ick ware nu als Koninginne Gekroont in Sichems hooge zael, Ick leefde nu in echte minne, maer ghy verbrot het altemael. Nu moet ick al mijn leven treuren, Gelijck een Tortel-duyf en plagh; Geen Prins, geen man, sal my gebeuren, Och waer dit nu mijn lesten dagh! O bloedigh sweert van wrede menschen Waerom doch hebje gespaert, Ach nu en heb ick niet te wenschen, Als in de dood te zijn gepaert. Nu Vrijsters wilt dees les onthouwen, En weest geleert door mijne pijn, Qua beenen, ende goede vrouwen, En moeten niet uythuysing zijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het nieuwe groote harpje · Anoniem · Poetry Cove