Stemme: Door u gesicht quam, &c. O Schepper siet hoe lustigh ist om wesen, daer gy zijt gepresen, van d'Engelen in den Troon, Wilt my dog hier van alle druk genesen Heere uytgelesen geeft my namaels sulk loon: Dat ick u aenschijn mocht aenschouwen En u geboden wel onthouwen: O Bruydegom fijn! lof moet u altoos zijn. Wie sou de vreugt en blijtschap konen schrijven Die sy daer bedrijven int nieu jerusalems pleyn Sy zijn verheugt, om dat sy mogen blijven, Eeuwig te beklijven 't lam Gods suyver en reyn Het Lammeken doet open den Throone Het Boeck met seven Zegelen schoone;
o Bruydegom fijn! lof moet u altoos zijn. Dees stadt eerbaer, sy is schoon boven maten Want hare straten die zijn van gout planteyt, d'Engelen met gouden wieroock vaten loven sonder aflaten, de Heylige drievuldigheyt Sy prijsen God van Hemelrijcke, Met de edele musijke, o Bruydegom fijn! lof moet u altoos zijn. Lieflijck reyn als Iaspis zijn haer muyren; Want sy zijn van puren Christal blinkende klaer. Blijdschap certeyn sal daer Eeuwig duyren; Men siet daer geen uren droefheydt noch lijden zwaer, Men siet daer geen melancolyen, Maer alle soete melodyen, o Bruydegom fijn! lof moet u altoos zijn.
Hoe men daer viert, niemant en kan hier leeren Hoe de dienaers eeren, hem die ons heeft gesogt Sy zijn verciert met kostelijcke kleeren, Van den Heer der Heeren ontfangen sy haer logt Daerom sijn sy geheel in vreugden, Sy looven den Heer in alle deugden, O Bruydegom fijn! Lof moet u altoos zijn. De duyster nacht, siet men doet niet floreren, Altijt triumferen 't ligt blinkend klaer en schoon Met groote macht siet mense jebileeren, Van den Heer der Heeren krijgen sy haer loon: daer heeft Son nog geene Mane, Nog geen ligt by haer te stane: O Bruydegom fijn! lof moet u altoos zijn Ist dat ghy hier de Werelt kunt verwinnen, Met de Seraphinnen, sult ghy wesen verblijt;
In dit quartier so wilt den Heer beminnen, met de Cherubijnen sult gy maeken jolijt: Wilt u naturen hier bedwingen, So sult gy daer uyt liefde singen: o Bruydegom fijn! lof moet u altijt zijn. Prince minjoot, wilt u met vlijt op maecken Bidden ende waecken, op dese vreught doch let? Kleyn ende groot, na dese stadt wilt haecken, Die daer in geraecken, moeten zijn onbesmet: Des Dienaers kled'ren zijn witte zijde, Laten w'ons in haer verblijden, O Bruydegom fijn! Lof moet u altoos zijn.
Cookies on Poetry Cove