Skip to content
1679

Het nieuw Amsterdams minne-beekje

Anoniem

Stem: Ick hoor Trommels en, &c. SIet de Weereldt nu eens dwalen Van Gerechtigheyt en Tucht; Dat ick u eens af sal malen In een Rouwe Schets ter vlucht: Let dan voor eerst hoe dat een Jonckman moedigh Vrijden een Dochter schoon en daer toe goedigh, Die hy minden, En besinden, Kreegh haer tot sijn Bruyt, Tot Buyt. Vader sou sijn Dochter geven Duysent Gulden mee ten Trou, Daer de Bruydegom mee verheven Sijn Vonck sie voorsetten sou: Dus trout men voort; maer Vader die gong heenen Wel vijftigh Gulden van een Waster leenen, Om het meeste, Bruylofs Feeste Mee te zijn verblijt, Dees tijt. Bruylofts dagen reackten over, Bruydegom sprak doen om sijn Gelt, Maer dien Bloet die keeck wel pover, Doen hy hoorden seer verstelt Dat Bruytjes goet met twee Letters verheven Van O, en met een P, wierden geschreven! Als een Snipje, Hongh sijn Lipje, Maer te laet berou, Was Trou. Of dit goet Huys-houden geven Sal, dat is den Heer bekent, Maer het kost wel twistigh Leven Aldaer Brouwen Vi-e-ment: Den Jonge Man begint alree te pruylen, Daerom de Jonge Vrou begint te Huylen Is dit doene, In den Groene, In het Dor voor soet, dan Roet. Noch soo sal ick u gaen ontfouwen Van een man seer wel bekent, Die hem seer Modest kost houwen By sijn Vroutje pertinent: Maer niet te min soo kost hy wel eens stuycken In Onbereyt Leer dickwils te gebruycken: Trock dit Peesje, Op sijn Leesje, En naeyden seer rat, dit Gat. Maer Oom-kool wiert eens bekroopen Soo als hy eens weer wou doen, Doch hy kost het niet ontloopen: ‘k Wou niet steecken in sijn Schoen: Want seecker Vrint hebt gy nu ronde Schijven Die sullen u nu wel konnen gerijven:

Soo komt Boontje, Om sijn Loontje, Die uyt de Pot pist, Eens mist. Siet hem daer nu sitten Proncken Gelijck een Haen in de Mat, Hoe Vriendelijck kan hy loncken Als een Bock die Haver vrat: Maer ’t is best, gy kont daer wat bedaren Om uwe prullen beter te bewaren Voor u eygen, Wat gants vijgen Doet het t’Huys eens meer, In Eer. Noch een Staeltje sal ick tonen, Daer wel naeu dient op gelet; Wacht u van die by u Woonen Dat u die niet spreyt een Net, Als nu onlangs is komen te gebeuren Waer door de Luytjes quamen in doleuren Door behendigh, Een list schendigh, Van de Man sijn Snaer, Voorwaer. Sijn Vroutje was gaen besoecken Haer Vrinden al in Brabant; Maer een Fielt gaet hem verkloecken En komt by de Man valjant Groeten hem voort, en sprack in deser voegen Dat sijne Vrinden namen groot vernoegen In sijn Leven, En daer neven Dat sijn Vrou de Groet, Hem doet. U Vrou ende Vrinde Vroome Die hebben aen mijn belast; Dat gy haestigh daer moet komen, Want sy meenen u voor vast Aen groote Luyden te Recommandeeren Dat s’een Officie u Accommodeeren, Dat u Slaven, Ende draeven Nu verkeert in Rust, Met Lust. Den Man danckten hem Ootmoedigh Voor de Bootschap dien hy dee: Gaf de Sleutels over spoedigh Aen sijn Snaer belaste mee Als dat sy doch wel na het Huys sou kijcken: En is doen voort na Brabant heen gaen strijcken: Maer terwijlen, Sonder feylen Komt den Guyt doe naer, De Snaer. Dese Snaer vol duyvels listen Met de Guyt was eens Gesint, Namen voort uyt Kast en Kisten Al het Goet Packt dat en Bint, En zijn des Nachts daer mee stil heen gedropen Met al het Goet soo uyt de Stadt geslopen Dus verslagen, Quam opdagen Dese Luyden t’Huys, Met Kruys. Soo verbastert is de Weerelt Dat men nu geen Bloet Verwant Mach vertrouwen; dus bepeerelt

Moet dan sijn een Trouwe Hant: Bloeyt dan in Deught, betoom u losse Sinne En tracht het Vlees voor al te overwinnen: Vliet het Liegen, En Bedriegen: Hier op seght Samen, Amen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het nieuw Amsterdams minne-beekje · Anoniem · Poetry Cove