Toon: Een Gelders Graaf, vermoeid van 't jagen.
ô Dood! moest gy zoo vroeg uw krachten
Betonen aan myn Hartsvrindin?
Moest zy, die nooit uw magt verächten,
Als een verlate Herderin,
Vol hartzeer sterven?
Ach! geen groter pyn,
Dan haar te derven,
Kan voor my ooit zyn,
Die om haar afzyn kwyn.
2.
ô Min! wat heeft u doch bewogen
Om haar te schenken aan de dood?
Moest gy die levenwekkende oogen,
Waar meê zy ieder vrindschap bood;
Haar doen verstrekken,
Maar alleen tot smart,
En ramp verwekken
In dat zuiver hart,
't Geen de ondeugd heeft getart?
3.
Ontrouwe Filo, 'k zal u haten,
Zoo lang myn oog het licht geniet;
Hebt gy myn Galathee verlaten,
Denk vry dat kommer en verdriet,
U steeds zal volgen
Waar gy u begeeft;
De Deugd, verbolgen
Op die haar weêrstreefd,
Straffe u, zoo lang gy leefd.
4.
Myn Galathee, 'k moet u beklagen,
My deerd uw ongelukkig lot;
Ik, ik kon u, gy my behagen,
Uw wil, was my een zoet gebod:
Uw geest en zeden,
Met uw lieve taal
En schone leden,
Zyn nu altemaal
De dood ten zegepraal.