Skip to content
1757

Het Hernhutsche nachtegaaltje in eene vrolyke luim

Anoniem

Toon: Een Gelders Graaf, vermoeid van 't jagen.

ô Dood! moest gy zoo vroeg uw krachten Betonen aan myn Hartsvrindin? Moest zy, die nooit uw magt verächten, Als een verlate Herderin,

Vol hartzeer sterven? Ach! geen groter pyn, Dan haar te derven, Kan voor my ooit zyn, Die om haar afzyn kwyn.

2. ô Min! wat heeft u doch bewogen Om haar te schenken aan de dood? Moest gy die levenwekkende oogen, Waar meê zy ieder vrindschap bood; Haar doen verstrekken, Maar alleen tot smart, En ramp verwekken In dat zuiver hart, 't Geen de ondeugd heeft getart?

3. Ontrouwe Filo, 'k zal u haten, Zoo lang myn oog het licht geniet; Hebt gy myn Galathee verlaten, Denk vry dat kommer en verdriet, U steeds zal volgen Waar gy u begeeft; De Deugd, verbolgen Op die haar weêrstreefd, Straffe u, zoo lang gy leefd.

4. Myn Galathee, 'k moet u beklagen, My deerd uw ongelukkig lot; Ik, ik kon u, gy my behagen, Uw wil, was my een zoet gebod: Uw geest en zeden, Met uw lieve taal En schone leden, Zyn nu altemaal De dood ten zegepraal.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het Hernhutsche nachtegaaltje in eene vrolyke luim · Anoniem · Poetry Cove