Skip to content
1717

Het harders-stafje

Anoniem

De verliefde Harder. WAnneer de Son in ’t Morgen-rood, In ’t oosten quam ontmoeten, Lag Phebus in Auroraes schoot, om Zee en Duyn te groeten, Om roos, om bloem, om Fiolet, Met elst en linden digt beset, door zuyderkoelte buygen, om druyppels die als kristelyn, op roos en bloem gedropen zyn, vol Nectar in te zuygen. De vers ontlooken dageraet, begroet van suyder winden, Haer morgen zugjes vallen laet, op digtgeblaede Linden, de Son in ’t oosten opgestaen, Speelt met zijn glans op groene blaen, van hoog getopte Boomen, van waer myn Phylis dreef haer vee, tot aen den Oever van de Zee, en brakke Water-stroomen. Haer Schaepjes aen den water-kant, verquikten door ’t verkoelen, mijn Phylis gaet terwyl op strand, Haer blanke voetjes spoelen, En slobbert in het ruysend nat, Dat haer tot aen den middel spat, door drifjes opgevlogen, Nooit soeter vreugd nog blyder dag, Als doen ik weer mijn Phylis sag, Haer natte leden droogen.

Haer open boesem heel ontbloot, ’t Albaster, wit verdoofde, Haer blanke kaekjes bloosend rood, Auroor haer glans verdoofde, Hoe graegde myn verliefde sin, Na dit genot door soete min, Dies dorst het niet betragten, dies was de vreugde my een smert, Een vreugd voor ’t oog, een pijn voor ’t hert, Een stut voor mijn gedagten. Had ik myn Phylis nagegaen, Ik had veel vreugd genoten, En ik veel beter had gedaen, ’t En had my niet verdrooten, maer valsheyd was voor my een smert, dat dede treuren myn jong hert, Als ik mijn lief aanschouden En hoe dat sy aen de Rivier, Haer voetjes spoelden met pleysier, Dat sal ik wel onthouden. Mijn Phylis was so bly van geest, dat sy haer soo vervarsten, myn hert was also seer bevreest, Ik dorst haer niet aentasten, Om dat ik was so slap van geest, dat maakt myn jonk-hert bevreest, Ik dorst haer niet genaken, Dus was mijn hert vol droef getier, Onsteken door het Minne-vier, ik moest haer liefde staken. Ik sag mijn Philis met plaisier, Naer ’t woud weer heenen keeren, Haer Schaapjes met een soet getier, Die springen heen en weer, Liepen en speelden also ras, Al door het groene klavergras, mijn Lief was wel te vreede, Doen quam ik by mijn Philis weer, Ik groete haer nog eens een keer, Sy is tot myn getreden. Ik sprak weest welkom schoon Godin, wilt my verexcuseren, ik sprak u aen uyt zuyver min, wilt mijn niet reveseren ik kom tot u mijn schoon Ionk-vrouw, Al om te bieden u mijn trou, dus laat mijn eens genaken, uyt liefde uwen rooder

mond, Ontfang van uwen lief terstond, Een kusje voor jou kaaken. Ionkman sey sy ‘k ontfang jou Trouw, Met vreugde in mijn handen, Wil my dan maken tot jou Vrouw Al door de echte banden, Wil met mijn treden voor Na ’t Woud, Onder de Linden door het hout, Veel vreugd sult gy ontfangen, en wilt mijn Schaapjes dryven heen, Ter plaetse daer wy heenen treen, Daer naer is mijn verlangen. Sa maekt nu vreugd aen allen kant, met Bassen en Phioolen, mijn Philis met haer Lief plaisant, die siet men onverholen, Gaen treden door het groene Woud, daer menig Vogel jong en oud, So singen sonder schroomen en ik ben met mijn Lief gegaen, Al in het woud wil my verstaen, onder de groene Boomen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het harders-stafje · Anoniem · Poetry Cove