Vermaaklyk minne-lied. Aardige, Greep van Kees en Kaatje Vatje de Kneep Voys: Liefhebbers van de Potten. WEl keesje maer wat mag ’t wesen dat gy my nu alsoo verlaet, Ik plagt van u te zijn gepresen gy noemde my u toeverlaet, Gy hebt my eed en trouw gezworen, door u gesleep, Heb ik mijn beste pand verloren, Vatje de kneep. Kees. Wat bruyt my al u beste panden, Gy zijt die quyt wat scheelt myn dat, Ik vaer weer naer de warme landen, Om daer te winnen nieuwe schat, Al vint men daer geen blanke Meysjes, dog gaen ik te scheep, Zy laten ons nog wel een reysje, Vatje de kneep.
Kaatje. Wel Keesje hoe kont gy my verlaten daer gy van my soo zyt bemint, Het is wonder dat gy myn kont haten, daer ik by u ben zwaer van Kind, Heb ik dan geen galante leden, Gelyk een reep, Soo wel van boven als beneden Vatje de kneep. Kees. Men vinter ook mooye zwar-tinnen, die ook galant van leden zijn die het blanke volk soo seer beminnen, En helpen onse minne-pijn schoon dat men haer niet wit kan wasse met tien pont zeep, Zy weeten ons wel op te passen, Vatje de kneep. Kaatje. Wel lieve Kees zyn dat de reeden bemint gy dan de zwarte meer, Als wel mijn frissche blanke leeden, O gy bedrieger van mijn eer, Heb ik geen twee galante beenen, Rad als een zweep, Wat zout gy van de rest wel meenen, Vatje de kneep. Kees. Uw trotse beenen en uw leeden, zijn mijn nu geen twee duyten weert, Ik ging my tot uwen lust besteeden, En heb daer al mijn geld verteert, En dat heeft aen mijn hert gegeven, Een harde neep Had ik maer van u afgebleven, Vatje de kneep. Kaatje. Ey wilt om het geld my niet verlaten, Ag lieve Kees zijt niet bevreest, Ik heb nog een beurs vol Ducaten, Het sal dienen voor ons Bruyloft Feest, Ik zal u daer van ook meede-deelen, Een volle greep, In het bed en sullen wy niet krakeelen, Vatje de kneep. Kees. Wel selder-ment hebt gy scheyven, Geen noot is ’t dat ik u verlaat, Maar
’k wil hier te Lande blyven, En met u Trouwen lieve kaat, Hebt gy soo lang dat willen zwygen, Wat bent gy leep, Daer voor zult gy een zoentje krygen, Vatje de kneep. Kaat was verblyd dat zoete bekje, om dat haar kees een zoentje gaf, Sy zey wel aen gy knoddig gekje, Gy weet myn hert walgt daar niet af, Wy sullen nu, haast bruyloft houwen, Met mooije sleep keesje het en sal u nooit berouwen, Vatje de kneep. Zy is getrouwt omtrent vier weeken, kees heeft nu al haer geld verteert, Toen heeft hy het gouw na Zee gesteken, als hy het al had opgesmeert, om naar Oost-Indien toe te vaaren, Ging hy te scheep kaatje zit nu in groot bezwaaren, Vatje de kneep.
Cookies on Poetry Cove