Op de wijse: Och wilt aenmercken, ghy vvilde herten. HOe magh een mensche doch soo blint wesen Dat hy in sonden altijdt voort-gaet, Daer men kan hooren, en dickwijls lesen, Wat straffe datter komt naer het quaet? Wy blijven Godts vijanden, De ziel moet altijdts branden: Dus spoeyt u neerstelijck tot de deught, Schout sonde, betert u als ghy meught.
Seven doot-sonden, daer meer uyt spruyten, Moetmen seer schouwen tot alder stont: Want seven deughden sy buyten sluyten, En brenghen ons tot meerder sond, O menschen wilt u wachten: Want Godt sal s’al verachten, Die met dees sonden zijn besmet. Uw’ ziele met deughden dan beset.
’t Beghin der sonden is Hooverdije: Want den hooveerdigen Godt weer-staet, Die voor den Heere stinckt als een prye, En Godts ghenade rasch van hem gaet.
O stof en slijm der eerden, Houdt u van kleynder weerden, Oodmoedigheyt soect, want wie die heeft, Den selven Godt sijn ghenade gheeft.
Weest niet te gierigh om gelt te schrapen, Stelt u hert niet op tijdelijck goedt: Want al u rijckdom, hof, schuer en schapen, Wat batet al, als ghy sterven moet? De Mildtheydt wilt aenkleven, Den armen oock wat gheven: Want ‘tminste dat den armen gheschiet, Verghelt den Heere, die ’t al aensiet.
Van all’ Onkuysheyt wilt u wel wachten: Want sy de ziele ter hellen jaeght: Schout vuyle woorden, wercken, gedachten, Maeckt dat u niet onsuyvers behaeght: Want naer des vleesch ghenuchten Soo volght het eeuwigh suchten: Aenveerdt de Reynigheyt, ’t is u best: Vlucht van d’onkuysheyt gelijck een pest.
Benijdt een ander niet sijn wel-varen, Verblijdt u niet in sijn teghenspoet, Maer wilt de Liefde altijdt bewaren: Wat kan u schaden een anders goedt? Nijdt is der sonden voedtsel, En ‘sduyvels quaedt ghebroedsel:
Den nijdighen is des duyvels kindt, Den nijdighen haet dat Godt bemindt.
En weest niet Gulsigh door veel eten, Van droncken drincken u neerstich wacht; Het gulsich brassen doet Godt vergheten: In dronckenschap zijnder vele versmacht. Wilt Maticheydt beminnen, De wel-lust overwinnen. Wee u, die ‘tlijf te seere vervult, Want ghy noch eens hongher lijden sult.
Weest traech tot Gramschap, door welck den vrede Onder de vrienden gebroken wert: ‘Tis rasernije, welcke brenght mede Veel sonden, en een onrustich hert: Leert liever ‘tquaedt verdraghen, Soo suldy Godt behaghen, Die u Sachtmoedicheydt heeft gheleert, Waer door men het quaet ten besten keert.
Die ‘sduyvels cussen niet en wilt heeten, Moet Traecheyt vlieden, en neerstich zijn; Die niet en arbeyt, en sal niet eten, Dus doet wat goedts, al is het u pijn: Waar die nu weynich saeyen Die sullen weynich maeyen; Voor kleynen arbeydt hier ghedaen, Salmen hier naer in’t Hemel-rijck gaen.
Cookies on Poetry Cove