Stemme: Den Schiltknecht op den tooren.
Het reedt een Heer met zijn Schiltknecht,
Het reet een Heer met zijn Schiltknecht,
Al langes der Heyden smal isser de wegh,
Iae smal isser de wegh.
Wat vont hy in zijn weghen staen, &c,
Een lindeboom groene was welle gelaen, &c.
Daer op so sat een Duyf en sangh, &c.
Al vanne de Minne soo soeten sangh, &c.
Mijn heer al tot zijn schiltknecht sprac,
En schieter dat duyfjen al vanne den tac, &c.
Mijn Heer en dat en doen ick niet, &c.
Die tacjes zijn swae zy en dragen my niet.
Mijn Heer wiert toornig ende gram, &c.
Hy schoter dat duyfjen noch selver van, &c.
Mijn Heer die viel van boven neer, &c.
Hy bracker zijn lijf en zijn lenden aen tween.
Nou leeft mijn Heer of is hy doot, &c.
Waer krijg ick dat’s mijnen v’diende loon.
Iou verdiende loon die krijg gy wel, &c.
Ick hebber noch koeyen en paerden op stal,
Iae Bruynsmaeghdelijn al.
Wat sou ic met Bruynsmaegdelijn doen,
Een nacht te slapen al inne het groen, &c.