Skip to content
1815

Grooten Hollandschen nachtegaal

Anoniem

Een nieuw lied van eenen kloekmoedigen Ruiter, die een Dochter uit de handen der Franschen verloste; en haar allen om het leven bragt, voor welke daad hij de Dochter ten Huwelijk kreeg. Stemme: Als het begint.

Wel vrienden blijft wat staan, En hoort dit lied eens aan, Het geen ik u zal verhalen, Hoe dat een schoone Daam, Buiten Namen is gevaren, Die om vermaak daar kwaam. Met haren Serviteur, Men dacht op geen getreur, Maar raakte in groot lijden,

Vier franschen op de baan, Sprongen uit het bosch bezijden, Vielen den jongman aan. Met eene boosheid groot, Schoten zij den jongman dood, In het bloeijen van zijn jaren, Dees maagd jong en sier, Was in groot bezwaren, En riep geef mij kwartier. Zij was in het rood satijn, Dees Franschen vol fenijn, Wilden dees maagd onteeren, Hardnekkig en verwoed, Rukken zij haar uit haar kleeren, En dorsten naar haar bloed. Met een zoo groot getraan, Riep zij Heer Jesus aan, Ach wilt mij nu ontfermen, Een Ruiter op dit pas, Hoorde dees Maagd kermen, Die van de Spaanschen was. Met een kloekmoedigheid, Heeft hij terstond gezeid. Wat komt mij hier te voren, Nam zijn pistool in de hand, En gaf zijn paard de sporen, En vloog zoo door het zand. Hij vond de Franschen hier, Terstond zoo gaf hij vier,

En riep houdt op met klagen, Gij overschoone maagd, Ik zal mijn leven voor u wagen, Bid dat het God behaagd. Twee Franschen schoot hij dood, Toen kwam den meesten nood, Want hij kon niet meer laden, Heeft zijn rappier aanvaard, Hij en mogt hem niet beraden, En sprong toen van zijn paard. Sa! Franschen voor het lest, Doe tegen mij u best, Ik zal u niet ontlopen, Het is met u gedaan Met de dood moet gij het bekoopen, Of gij moet mijn verslaan. Den Spaanschen Ruiter was, Met zijn rappier zeer ras. Hij heeft ze beide verslagen, Zijn gramschap was vergaan, Toen zij beide ter aarde lagen, Sprak hij dees maagd aan. Wel overschoone vrouw, Ik ben vol wonden nouw, Zij sprak wel vriend geprezen, Rijd na mijn Vaders woon, Daar zal ik u doen genezen, En kiest mij voor u loon.

Zij reden op dit pas, Bij haren vader ras, De maagd ging hem verkonden! Ach Vader dezen vriend, Doet verbinden zijne wonden, Hij heeft het wel verdiend, Want hij heeft mij verlost, Het had mijn de dood gekost, Ja vader vol van waarde, Vier Franschen op de baan, Die mij tot oneer aanvaarden, Heb ik hem zien verslaan, De Vader was verblijd En heeft terstond gezeid, Die vriend is waard geprezen, Voor al zijn vrome daad, Zult gij zijn Huisvrouw wezen, Zoo God hem in het leven laat. Den Ruiter die genas, Op negen dagen pas, Tot loon wierd hem gegeven, Dees maagd jong en teer, Voor het wagen van zijn leven, Is nu een Edel Heer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Grooten Hollandschen nachtegaal · Anoniem · Poetry Cove