Liedeken, Van de Nachtegaals zang, En van Bagchus drank.
Onder het groene geboomt, Aan den waterstroom, En daar het gediert, Met het vogeltje zwiert, In deze groene zaal, Zingt den nachtegaal, Hij verkwikt ons hartje altemaal, Hij zingt zoo zoet, zoo zoet, Dat Sapan met zijn Luit, En Apollo's Fluit, Moet wijken aan dat zoet geluid. Al het muziek te zaam, Is nog niet bekwaam,
Om te maken het geschal, Gelijk den Nachtegaal, Maar wat is toch den zang, Zonder Bagchus drank, Vivat! den Wijn, hij is ons medicijn, Sa! schinkt, zingt, klinkt en drinkt, Zoo als den Nachtegaal, Met zijne zoete taal, Moet wijken aan ons altemaal.
Het zoete Bagchus nat, Uit het druive vat, Maakt ons zeer verheugd, Brengt ons een zoete vreugd, Dit nat verkwikt den geest, Op deze blijde feest, Geeft ons vreugd om het meest, Dit nat zoo goed, zoo zoet, zoo zoet, Voorwaar den koelen wijn, Het is ons medicijn, Verdrijft ons alle smart en pijn.
Sa! dan wel aangevat, Het zoete Bagchus nat, En met geduld, Al die glaasjes gevuld, Sa! speelt op uwe fluit, En maakt een zoet geluid, Drinkt de gezondheid uit, Roept al avous, avous, avous, En drinkt uit volle kroes,
Vivat den zoete wijn, Hij is ons medicijn.
Laat ons nu altemaal, Volgen den Nachtegaal, En met een zoet gezang, Maken een blij geklank, En al het Vogels gediert, Dat aan den Hemel zwiert, Is boven het aard gediert, Roept al vivat! vivat! vivat, Dat den Tractant lang leeft, Die ons den drank hier geeft, En nog meer in zijnen kelder heeft.
Cookies on Poetry Cove