Stem: Sommes nous pas bien heureux, Of: 't Is goet Capucijn te sijn, &c. TIs Ambrosius die seyt Datmen lichter kan bewaren, En van sijn kintsche Jaren, Leven in onnooselheydt Dan te worden naer de sonde, Een volkomen penitent; Seght dan eer ghy wort verslonde Die gequetst zijt van't serpent. O Godt van der Eeuwigheyt Die den mensch hebt uytverkoren, Lib. 1, de pun. c1. 10. Die voor eeuwigh was verloren, Door u goedertierentheydt, Want ghy hebt tot ons gesonden, Vwen Soon die met sijn bloedt. Moest afwasschen onse sonden Siet wat dat de sonden doet.
Ick beken, O Heer, O Godt, Dat ick u soo veel ben schuldigh, Om dat ick soo menighvuldigh, Heb vertreden u ghebodt, Heer verleent ons u genaden, Want het is onmogelijck V, voor al onse misdaden Te voldoen volkomelijck. Al mijn sonden sijn my leet Vyt den gronde van mijn herte, Niet uyt vrees alleen van smerte Die de sondaers in bereet: Want ick weet dat sulk leetwesen, Is maer eygen baedt gesocht Maer tot u moet liefde wesen, Die ons hebt soo dier gekocht. Ick ben droef en suchte seer, Om dat ick heb tegen reden, De geboden overtreden Van soo minnelijcken Heer, Och waer waeren dog mijn sinnen Als ick u; O hooghste goet d'Welck ick meest moest beminnen Heb gestoten met den Voet. Ick neem vastelijck voor my, Liever duysent-mael te sterven, En oock alle goet te derven Ja den Hemel oock daer by, Als noch eens te doen de sonde, Die ick in der waerheydt haet, En versaeck tot allen sonde, Als het aldermeeste quaet.
Ick wil met dit goet propoost All' mijn sonden geerne biechten, Heer wilt toch mijn hert verlichten Op dat ick magh zijn verlost, Van al't geen ons soeckt tot sonde Oft daer van occasie is: Door u bloedige Vijf Wonden Hoop ick oock vergiffenis. En de Penitentie Die d'Bicht-vader my sal geven, Wil ick doen, en all' mijn leven Volgen sijn sententie? Op dat ick u alle dagen, Nu en in der eeuwigheyt, Door de liefde mach behagen, Om dat ghy die weerdigh zijt.
Cookies on Poetry Cove