Skip to content
1722

Gheestelijcke Harmonie

Anoniem

Op de Wijse. Carileen, en wilt u niet verschuylen. 1. KOmt en eert, een man van Grooten waerde 't Is Gregorius bekant Die van Godt hoogh geacht Vyt ons geslacht Nu sit verheven als een groote Sant; Hy is geweest een Man op deser aerde, Die gedaen heeft ons veel goet Die ons uyt valsch geloof En duyvels roof, Bevrijd, en vermaent tot ware boet. Laet ons eendraghtigh Singen sijnen loff, Die ons gedagtigh Is in s'Hemels hoff Sijn deught, Mee vreught Komt singen saem Voldoet, onse goet Vyt roept nu sijnen naem. 2. Hoort hy spreeckt seer veel bedroefde sughten. Over Eer en digniteet Waerom hy oock gevlugh

Sonder gerucht Vyt Romen heel onbekent gekleet. Soo werckt: (ey wilt het wel gedughten, Vluchten hy voor 's werelts Eer, Maer een light hem vertoont En niet verschoont Want dese demoedt behaeghd' den Heer Al die't ligt sagen Verheughden allegaer, Hy begost te klagen Want het viel hem swaer 't Was hart, Hem smart: Dees hoogen staet, die hy, alle ty Soo dapper had versmaedt. 3. Openbaer sagh hy eens in voor tijden Eenen Engel op en flot, Die sijn sweert in de schey Stack met beley En doe hiel op den Grammigen Godt 't Is dan waer, dat Roma hy bevrijde Van de pest en Godes straff Want Godt den Heer het Landt Sloegh met sijn handt En ruckten een yder na het graff. Doen moest hy wesen, Haren Advocaet En waer in desen, Soo bedroefden staet In noot, Seer groot By Godt haer vrient, Hy haer allegaer Versoende, dit besint. 4. Hy dan is die uyt de dolings paden Engelant heeft eerst bekeert Gebraght heeft tot het pandt Van 's Hemels Stadt En Godes wette heeft geleert.

Oock is wis seyt die beschrieft sijn daden Dat hy heeft gesien een Duyf Die op sijn schouder vloogh Al van om hoogh 't Was Godes Geest die was de Duyf Als hy schreef boecken, Vloogh dit Duyfken af 't Quam hem besoecken En het al in gaf Sijn Leer, Heel teer Die geeft de Kroon Die vleyt en ons leyt Reght in des Hemels Throon. 5 Hier moet nogh van ons worden beleden Sijnen grooten heyligheyt Al wat hy Godt verson, Hy kriegen kon Van sijn almogende Majesteyt, Hoort eens dogh wat hy door sijn gebeden Al versocht heeft uyt Godts schoot: Hy dee Godts broodt in vleysch Nae sijnen eysch Verkeren en't vleysch wederom en Broot Hy is dan maghtigh, Wel geheten Groort Met bidden krachtigh Helpt hy in dese noot, Komt graegh, Niet traegh Ons togh te baet Ghy kent ons ellendt Ey ons dogh niet verlaet 6. Mijn Patroon! slaet ons op my u oogen

Versterckt my in mijn levens endt Gregori staet my by Dat ick soo strij Op dat my niet den vyant en schent Siet uyt den Throon en hebt met my medogen Verkrieght dat ick oock saligh sterf, Helpt in den bangen noot Als komt de doot Op dat ick dan den hemel erf, Ick sal dan singen, Met een blij gemoet, Ick sal opspringen In het opper-Goedt Heel bly, All' ty In's Hemels hoff Met vreuht, wel verheught Eyt-roepen Godes Loff.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gheestelijcke Harmonie · Anoniem · Poetry Cove