Skip to content
1722

Gheestelijcke Harmonie

Anoniem

wijse: BlijschaP van my. OCh wie hanght hier dus, Jammerlijck verschoven, Als een Lazarus, van beneen tot boven, Wat heeft hy misdaen, Wat heeft hy bedreven, Dat hy schandigh dus Is gebrocht om't leven: Al had hy de daet, Van de werelt quaet, Al te samen op sijn lijf, 't Waer doch veel te veel, Dat een mensch geheel, Soo sou zijn van bloede stijf, Want men siet geen leden Of zy en zijn door neden, Of door-korven en door-wont, Sijn vleesch is afgereten, Dat daer tot alle steden Siet men been tot aen de gront. O mensch aenschouwt wel, 't Is weert om te aenmercken, Hier voor zwicht de doodt, Droes en al zijn wercken: Weet gy wie hier hanght, 't Is den Godt der Goden,

Die't al heeft gemaeckt, En kan weder dooden, Die het al omvanght Heeft die liefd' gepranght, Dus te lijden desen doodt, Dat om onse schult; Waer met het, vervult, Is voor ons in desen noot: Want door Adam te voren Was by Godt, 't al verloren, Met sijn sond was't al besmet, Nu zijn wy weer herboren Nu Iesus heeft verkoren Des doot die den doot verplet. Is dan onsen Godt, Ist om onse sonden, Och! of oock die liefd' My had soo gebonden, Iesu ick kend' u niet, Nu dat gy dus deerlick Waert beklad, doorsneen, Schroomigh, en vervaerlijck, Wat begeert ghy Heer, Dat ick u vereer, Voor dees groote milde gaef, Ey! wilt ghy yet meer, Als dat mijnen keer, Sy tot deught, niet sondigh slaef, En ist niet u begeere, Dat de sond verkeere, In u liefd' want s'u mishaeght, Wilt dan in ons vermeeren Dat u doet verseeren, En daer gy dees pijn om draegt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gheestelijcke Harmonie · Anoniem · Poetry Cove