op de wijse: Aenhoort gy Maegden reene. WIlt tot ons nederdalen, O Schepper Heyligh Gheest, Besoeckt met uwe stralen Onse hertzen foreest,
Vervult met dese feest, Die zielen van u knapen Met gracy aldermeest, Die ghy selfs hebt geschapen. Ghy wort genoemt gepresen Den trooster in den noot, Godts gave uytgelesen, Sonder u zijn wy bloot, Ghy zijt tegen de doot De levende fonteyne, Een vier een liefde groot, Des geests een salve reyne. In gaven seven-voudigh, Sijt ghy der deughden vloet, En den vinger behoudigh, Van Godts Rechter-hant goet, En van den Vader soet, Beloften sonder falen Die onse tongen doet, Spreecken, en ciert met talen. V licht wilt doch ontsteken, In onse sinnen vijf V liefde laet door-breken, Ons hertzen hert en stijf: Wilt oock door u bedrijf Verstercken en vast maken, Ons lichamen catijf In Godelijcke saken. Den vyant wilt verdrijven, Van ons breet ende wijt, Den peys wilt doen beklijven, Met Godt tot 's vyandts spijt Op dat wy wel bevrijt
Door u met alle vromen, Nu en tot aller tijt Alle quaden ontkomen. Maeckt dat wy door u kennen Den Vader in zijn rijck, Den Sone Godts beminnen, Eeuwelijck hem gelijck, V oock sonder beswijck Mogen dancken en loven, In u soet Hemel-rijck, In glorie daer boven. Lof sy u Vader Heere, Schepper des werelts rondt, En Christo min noch meere Verresen heel gesondt Van der doodt, niet gwont, V heyligh Geest van heden Sy glorie gesont, Tot in der eeuwigheden.
Cookies on Poetry Cove