Stem: Ick gingh my lest vermeyen, GEen leger van Soldaten, Heeft konnen u doen laten Het Cruys, O Moeder Godts. Veel min de vrees des doots V Soon aen't Cruys verheven Tot 't eynde van sijn leven Stantvastigh ghy by staet, Wie dat vlucht wie dat gaet. Dat heeft u hart doorsneden, Dat in geen van sijn leden, Een lit geheel ghy vint, In hem du ghy bemint! Het bloet loopt uyt sijn oogen; Als pesen van de bogen; Gespanne, ja veel meer, Siet ghy sijn armen teer! Sijn doodelijcke wonden! Sijn leet u hart door gronden, Sijn naecktheyt ende pijn,
Sijn smert de uwe sijn [Sij]n schudden doet u beven, [Het ne]emt u ziel en leven! Dat hem wort aengedaen Blijft in u herte staen! [On]der sijn woorden seven, [Die h]y aen't Cruys gegeven, Hoort ghy, Vrouw siet u Kindt, Johannes van my bemint. [Me]t pijnen uytermaten, [Gy h]ebt my Godt verlaten, [R]iep hy o groot torment! [u] Vrouw, alleen bekent. [Vo]rders hoort ghy hem klagen, [Die n]oyt sprack in sijn plagen, [V]an sijn dood'lijcken dorst, Dat u hart heel doorborst! [Het] laeft met luyder kele, [In u h]and, ick bevele. Mijn Ziel, ò Vader Godt, [H]oe raeckt u hert in slot! [Pri]nces der Martelaren, [Geen] Zee kan met sijn baren [U] Liefde vlammen groot [U]yt-doven nogh de doot! [Wa]nt u Soons'lijck gehangen, [Hebt] ghy van't Cruys ontfangen, Doorwont naeckt en bloot Geleydt op uwen schoot: [O] maeght o zee vol rouwe, [Niem]andt wilt ghy betrouwe, [U] eygen vleesch en bloet: [U] trouwe liefd' dit doet.
In 't graft gaet hy hem dragen, Met suchten en droef klagen Hoe 't zwaert u hart door snijt, Noyt tegen Godt ghy strijdt. O Moeder Godts laet blijcken, Dat noyt ghy wilt af wijcken, Als my de doot aenrandt, My met Liefde brandt. Van 't quaet wilt my beschermen, Ontfangen my in u ermen, Hierom ick voor u kniel, Geeft rust mijn naeckte Ziel.
Cookies on Poetry Cove