Op de wijse: Het viel een Hemels, &c. Maria O Eeuwigh Godt Almachtigh, Tot u soo roepen wy: Wilt ons eens zijn gedachtigh, Maeckt Israel eens bly: Wilt haest Messias senden, Die ons verlossen sal Van alle ons ellenden,
Geschiet door Adams val.Wilt haest, etc. Och! mocht ick eens aenschouwen Die schoone jonge maeght, Die edel Vrouw der Vrouwen, Die Godt soo heeft behaeght, Dat sy eens sal ontfangen Den Salighmaker soet: Naer hem staet mijn verlangen, Hy is dat eeuwigh goet.Dat sy, etc. Ick wensch met herten seere, Dat ick haer dienen mocht, Die tot soo grooten eere Van Godt sal zijn besocht: Want sy is uytgelesen Van in der eeuwigheyt, Om eens Moeder te wesen Van sijnder Majesteyt.Want sy, etc. Den Engel. Ick groet u Maget schoone, Gebenedijdt zijt ghy, Den Vader uyt den throone Die is u altijdt by: Hy heeft u uytverkoren, Want ghy vol gratie zijt: Van u sal zijn geboren Christus gebenedijdt.Hy heeft, etc. Maria Wat zijn dit voor nieu-maren, Seght my 't verstant hier van, Hoe ist dat ick sou baren, Daer ick noyt kende Man? Ick heb Godt op gedragen Van joncx mijn suyverheydt; Om hem soo te behaghen
Tot mijnder saligheyt. Den Engel. Schoon Maeght wilt u verblyen, En sijt toch niet bevreest, Den Heer sal u bevryen V senden sijnen gheest: Sijn kracht sal u omschijnen Van hem sult g' sijn vervult, En baeren sonder pijnen, Moeder Godts wesen sult.Sijn, e[tc.] Maria Mijn hert is seer ontsteken, Als ick u heb gehoort, Met blijschap wil ick spreken My geschiet naer u woort, Mijn ziel maeck groot den Heer, Ick wil hem roepen aen, Want hy sijn Dienst-maeght teere Veel graci' heeft gedaen.Mijn, e[tc.] Den Dichter. Ter eeren laet ons singen Van die schoon' Maget reyn, Op dat sy ons wilt bringen, In dat schoon Hemels pleyn: Daer vreught is boven maten, Voor die tot Godt hem keert Geen hert en kanse vaten, Soo die Schriftuere leert.Daer vreught, [tc]
Cookies on Poetry Cove