't Vrolijke kind in den morgenstond.
Kom vlug uit het bedde;
De Haan heeft gekraaid.
Reeds zingen de vogels;
De morgenlugt waait.
Hoe schittren de straalen
Der rijzende Zon:
Zij spiegelt zich vrolijk
In beek en in bron.
't Is alles reeds leven
In 't veld en in 't woud.
't Zingt alles van vreugde;
't Blinkt alles van goud.
Hoe vrolijk, hoe lustig
Is 't hart ons te moê.
't Brengt, juichend, Gods goedheid
Een Lofgezang toe.
Uw Naam zij gepreezen,
o Schepper van 't Licht!
Dat zijn wij en alles,
o God! U verpligt.
Zelfs Kindren verheffen,
Bij 't zalig genot,
Bij zoveel genoegen,
Uw goedheid, ô God!
Maar, liefderijk Vader!
De ons passende dank
Bestaat niet in woorden
Of ijdelen klank.
Neen! U zijn wij dankbaar,
Wanneer wij met vlijt
Oplettend besteeden
Den kostbaaren tijd.
Uw wil word, o Vader!
Volkomenst volbragt
Door werkzaam te wezen
Met wijsheid en kragt.
Gij gaaft ons het leven,
De kragten schonkt Gij; -
Komt dan aan den arbeid -
Gehoorzaamen wij.