Naa een onweder.
't Word lichter. - 't Onweêr drijft voorbij.
Komt, Broeders! Zusters! zingen wij;
Jaa, zingen wij een vrolijk lied,
Om 't heil, dat mensch en dier geniet.
Hoe lieslijk riekt der bloemen geur!
Hoe heerlijk blinkt der bloemen kleur!
't Luikt alles op. 't Is al verkwikt.
Lof zij de Magt, die dit beschikt.
Terwijl ons hart Gods goedheid prijst,
Dringt de adem, die ten Hemel rijst,
Zelfs vrijer door de lugt, die frisch
En zuiver door het onweêr is.
ô God! ontvang des onzen dank.
Vrij volg de donder, schor van klank,
Op bliksemstraalen, fel van gloed.
Gij, groote God! zijt wijs en goed.
Komt, geven wij steeds dankbaar acht
Op Uwe Wijsheid Liefde en Magt,
ô God! die, wijl het onweêr loeit,
Met stroomen heils het veld besproeit.