III.
Wanneer een felle storm het graan Op de akkers nedervelt, En alles tot een baijert maakt, Door 't ijselijkst geweld;
Dan dekt een doodsche somberheid De ontluisterde natuur, De vogel zwijgt; de roos verkwijnt; De Landjeugd mist haar vuur.
Zoo treurt Machtilde, in bittren rouw, Haar droefheid was ten top, Zij sluit zich in haar aadlijk slot, In diepe stilheid, op.
Een donker, treurig rouwgewaad Bedekt haar schoone leên, Haar wang verbleekt; haar oog verdoofd, Ontluisterd door geween.
‘Ach, zegt zij, wist ik slechts het graf, Daar mijn Beminde rust, Ik snelde naar die grafplaats toe, En stierf met vreugde en lust.’
‘Naast zijne zijde zoude ik zagt, - Zagt rusten met mijn held; Maar neen, wie weet in welk een oord Zijn lijk ligt neêrgeveld.’
De zon daalt langzaam westwaards heên, De maan treedt op haar spoor, Maar breekt bezwaarlijk, in den nacht, Den dikken nevel door.
De stormbui loeidt om 't oude slot, De regen klettert zwaar, Een aaklig, dikke duisternis, Maakt alles bang en naar.
Machtilde zit in eenzaamheid, Bij 't flaauwe lamplicht neêr, Of treedt, door angst en vrees benard, Al waglend heên en weêr.
Een zeldzaam, onbekend gevoel, Vermeestert haare ziel; Zij voelt een flaauwe, kleine hoop, Waar in zij nooit verviel.
Zij hoort 't gekletter van een paard, In 't holste van den nacht, ‘Ach! zegt zij, zoo dit moedig ros, ‘Mij eens mijn Ridder bragt! -
Het paard staat stil; de brug valt neêr; De poort wordt opgedaan; Hoe bonst haar 't hart: - een ijzren voet Stapt op de trappen aan.
Een siddring vliegt door al haar leên, De schrik verstijft haar 't bloed, Toen eenslags een bekende hand De kamer open doet.
‘Machtilde, roept een doffe stem, Raak mij niet aan, - ô neen! Gij ziet hier uwen Dagobert, Hij is noch vleesch noch been.’
‘Het zwaard doorkliefde 't jeugdig hoofd, Ik ruste in vreemden oord, Mijn schim heeft om uw slot gewaard, En uwe klagt gehoord.’
‘Ik dagt, haast sterft mijn minnares, ‘Verkropt door wee en smart, ‘Uw dood zou mij een trouwdag zijn: ‘Wat valt het toeven hard!
‘Ach Ridder, roept de ontroerde maagd, ‘ô Wee, gij hebt geen zwaard! ‘Waarom, waarom mij niet ontzield, ‘'k Ben voor geen dood vervaard.
‘Zoude ik mijn hand, na mijnen dood, ‘Bezoedlen met uw bloed? ‘Machtilde! neen - de tijd is daar, ‘Waar in gij sterven moet.
‘De lamp, die op uw tafel staat; ‘Heeft haast geene olie meêr; ‘Zoodra die lamp haar licht verliest, ‘Zijgt ge in mijne armen neêr.
‘Het Paard, dat aan de valbrug wagt, ‘Brengt ons dan eenslags voord; ‘Daar zult ge uw Vader, Moeder zien, ‘In een verruklijk oord.
‘Het licht verdooft - uw wang verbleekt, ‘Uw lip verblaauwd - uw oog ‘Zinkt in de hollen beenkas neêr: ‘Daar sluit ge reeds het oog.
‘De lamp gaat uit; - de laatste walm ‘Verspreidt zich om u heên: ‘Gij sterft, ô vreugd! gij sterft, miju lief! ‘En zijt met mij alleen.
‘Uw bleeke schim vliegt in mijn arm. - ‘Ach Ridder! haastig, voord, ‘'k Verlaat mijn ruuwe, loome stof, ‘Waar is, waar is het oord?
‘'t Is duizend mijlen hier van daan. - ‘Hoe duizend - ach ik schrik! ‘Geen nood, mijn minnares, wij zijn ‘Daar, in een oogenblik.
Het schimmen-paar vliegt op het ros, Langs onbekende paên, ‘Daar ginder, ô mijne engelin! Breekt reeds de morgen aan.’
‘Daar ginder, ginder, ginder ver, ‘Is dat verruklijk oord, ‘Wij rijzen op, wij daalen neêr, ‘Wij vliegen voord, voord, voord.
‘Ach welk een dikke duisternis.... Een Kerkhof - wee mij, ach!.... ‘Machtilde! dit 's de plaats, waar ik Om u mijn einde zag.’
‘Daar is mijn graf - daal met mij neêr, ‘Wij sluimren daar zoo zagt, ‘In ongestoorde, stille rust, ‘In onbekenden nacht!
‘ô Gaarn - mijn lieve, trouwe held! Ja, 't is een heerlijk oord; Ik leg mij in uw kouden arm, Wij sluimren zagtkens voord.
Cookies on Poetry Cove