Skip to content
1789

Geschenk voor Nederlands jufferschap

Anoniem

II.

Machtilda! hoe gedraagt gij u, Blijft gij nog even koel? ô Neen, haar teêrgevoelig hart Had al te veel gevoel.

Zij lag wel op haar legersteê, Maar door geen slaap verkwikt, Zoodra zij slechts haare oogen sluit, Heeft haar een droom verschrikt.

Zij rijst des morgens rustloos op, Zij lust noch spijs noch drank, En 't kloppend harte zegt aan haar, Gij zijt van liefde krank.

Zij gluurt, of ook haar Ridder kwam, Maar met een kwijnend oog, Zij wist niet, dat die groote Held, Alreeds ten oorlog toog.

Zij wist niet, dat zijn heldenmoed, Op liefde was gegrond, Ja, dat hij nimmer rusten kon, Voor hij de glorie vond.

Dan spoedig blies de schelle faam, Zijn dappre heirtogt uit, Machtilda, die van vreeze kwijnt, Hoort dra dit schel geluid.

Het meisjen zucht, verstomt en weent, Valt haast in onmagt neêr, Gansch hooploos, troostloos staat zij daar: Zij weent op 't laatst niet meêr.

De droefheid, die ten toppunt was, Kropt haare traanen op, De droefheid zwicht voor bittre spijt, Haar wanhoop rijst ten top.

Zij neemt het radeloos besluit, En gespt het harnas aan, Zij vliegt haar Ridder agterna, Om ook naar roem te staan.

Reeds had de gouden morgenzon Heur straalen uitgespreid, Toen beider woeste legermagt, Ten veldslag was bereid.

De wraak vloog door de benden heên; De woedende Soudaan Zwaait reeds den zwarten paardenstaart, En schudt de halve maan.

De Ridder staat ter linker zij', Ter rechter zij' Machtild; Reeds hield de vuist het zwaard bekneld, De linker arm het schild.

De woede vuurt de harten aan; De slag breekt eindlijk los, De zwaarden klettren op het schild; Den Helm en vederbos.

De pijlen snorren heên en weêr, De dood rent door den slag, Daar meenig dapper Soudenier, Het eind der dagen zag,

Lang hing de Krijgskans twijfelbaar; Dan 't Ridderheir wint veld, En ziet in 't eind den Sarazijn, Verslagen, heên gesneld.

Machtilde, tot der dood ontroerd, Vliegt door het slagveld heên, En zoekt den trouwen minnaar op; Maar vindt hem niet - ô neen!

Zij vindt dien edlen Ridder niet, Den liefling haarer ziel, Die, zwaar gewond - en afgemat - Al suislend - neder viel.

‘Machtilde! - nooit ziet mij uw oog, Zucht zijn verbleekte mond, Om u zogt ik naar roem.... maar ach! 'k Ben doodelijk gewond.’

‘'k Heb u vergeefsch zoo trouw bemind, Wees blijde - ik sterf met roem.’ De Ridder stierf, gelijk des daags, Een frissche lentebloem.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Geschenk voor Nederlands jufferschap · Anoniem · Poetry Cove