Skip to content
1668

Enchuyser liedt-boecksken

Anoniem

Toon: Poliphemus aen de strande. SOete Maeghden, stoke-brandtjes, Waerde Santjes By de Minnaers aengebe’en,

Schoon ghy hen, met sture woorden, Vaeck koomt moorden, Door ‘et scherp en vinnigh Neen. Maer indien ghy eens mocht smaken Wat vermaken Dat de trouw-kus na sich sleept; ‘k Weet dat ghy, met beyd’ u handen, Naer die banden, Op ‘et eerste vragen, greept. Wen de Maeghden heele nachten, Vol gedachten, Dickwils mijm’ren, voelt de vrouw Duysent vreughden om ‘er woelen, En bespoelen Heure schoot met vreugdbre douw. Soenen, sabben, vatten, streelen, Drund’lick speelen; Met de armen om ‘et lijf Van ‘er man; die, ondertussen Duysent kussen Steelt, in dartel tijdt verdrijf Hondert duysent lieve namen Smelt men t’samen; Daer m’er dan gestaegh mee noemt, Datse, door dit heyligh jocken,

Op-getrocken, d’Aerde voor een Hemel roemt. Eensaemheydt baert ongenuchten, Klagen, suchten. Al de vreughde van de doeck, Die de werelt kan bedeucken, Of ‘er schencken, Schuylt alleenigh in de broeck. ’t Is onmogelick all’ ’t bedrijven Te beschrijven. Och! ik dwael. Mijn pen die stuyt ’t Hooft begint te suyse-bollen: ‘k Ben aen ’t hollen. Leer ’et selfs, en wordt de Bruydt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Enchuyser liedt-boecksken · Anoniem · Poetry Cove