Het spaarzame kind.
Jantje krijgt zoo nu en dan,
Als zijn vader 't missen kan,
Mooije boekjes, fraaije prenten,
Halve, somtijds heele centen,
Die hij allen wel bewaart,
Altijd in zijn spaarpot gaârt;
Sparen dient met regt geprezen,
Daarom wil 'k steeds zuinig wezen:
Is één cent niet veel in schijn,
Honderd toch een gulden zijn.